Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1052 Hoe kan zo’n mooie wereld géén schepping van God zijn?

Als de wereld waarin we leven een illusie is (en niet de werkelijke wereld), die niet door God, maar door ons is geschapen door middel van de afscheiding, dan ben ik in de war. Ik ervaar zoveel vreugde, verwondering en waardering van wat ik altijd beschouwd heb als Gods schepping! Hoe moet dat nu als Hij dit allemaal niet geschapen heeft – de schoonheid van de natuur, enzovoort – en niets hiervan ‘werkelijk’ is? Dan zal ik heel erg teleurgesteld zijn.

Antwoord: Je hebt heel goed begrepen wat de Cursus uitlegt over het fysieke universum. God heeft de wereld niet gemaakt, het is een miscreatie van de denkgeest die haar in het gewaarzijn heeft gebracht door er de schuld op te projecteren omdat hij ervoor heeft gekozen in de afscheiding te geloven. Dit inzicht is niet alleen teleurstellend, maar een schok voor iedereen die op een traditionele manier in God gelooft, en het is gewoonlijk niet de enige schok wanneer je de Cursus bestudeert. Het ego heeft heel goed werk verricht door ons zijn denksysteem aan te leren, met inbegrip van een God die de wereld heeft gemaakt, ons erin heeft gezet, en ons eruit haalt wanneer Hem dat goeddunkt. Een van de belangrijke doelen van de Cursus is de geheimen en verborgen leugens van dit denksysteem aan het licht te brengen. Eén van die geheimen is de wens van de denkgeest dat er een wereld is om het thuis dat we verloren leken te hebben toen we voor de afscheiding kozen te vervangen. Hoewel de wereld grote fysieke schoonheid bevat, legt Jezus ons uit dat de oorsprong en het doel ervan door het ego zijn bepaald: “De wereld werd gemaakt als een aanval op God. Ze symboliseert angst. En wat is angst anders dan de afwezigheid van liefde? De wereld was aldus bedoeld als een plaats waar God niet binnen kon gaan en waar Zijn Zoon van Hem gescheiden kon zijn” (WdII.3:1-4).

Het aan het licht brengen van de intriges van het ego brengt met zich mee dat je lang gekoesterde waarden, die het geloof in de werkelijkheid van het lichaam en de wereld ondersteunen, in twijfel trekt. Aangezien de afscheidingsgedachte niet waar is, zijn heftige verdedigingsmiddelen nodig om het geloof erin in stand te houden. Eén van de overtuigende argumenten ten gunste van het geloof in de wereld is haar fysieke schoonheid. Maar haar schoonheid verfraait niet de beslissing van de denkgeest haar te gebruiken om de afscheiding te verdedigen. Deze informatie wordt misschien als teleurstellend ervaren, of erger, maar als we dit nader bekijken blijkt het ego-denksysteem aan het werk te zijn in een wereld die naast schoonheid, veel lijden en verwoesting biedt. Als God het ene heeft gemaakt, moet Hij ook het andere hebben gemaakt wat Hem dan echt tot een wrede Schepper maakt, en dat is precies wat het ego ons wil doen geloven. Dat voedt onze angst dat wat God heeft gegeven, Hij in een oogwenk zonder waarschuwing kan weggrissen. Achter deze gedachte schuilt een nog dieper begraven geheim, namelijk dat wat de wereld biedt in werkelijkheid niet door God aan ons werd gegeven, maar van Hem werd gestolen, en dat Hij plotseling zal ‘verschijnen’ en het allemaal terug zal nemen. De bron van deze overtuiging is het schuldgevoel van de denkgeest omdat hij zich Gods scheppingskracht heeft toegeëigend door de beslissing zich met het ego (en daardoor met het lichaam) te vereenzelvigen, in plaats van de Identiteit te aanvaarden die God ons als Zijn ene Zoon heeft geschonken. Door deze keuze voor het ego ‘steelt’ de denkgeest het auteurschap van zichzelf, door te geloven dat hij de vader is, en niet de zoon. Dit is een voorbeeld van waar de Cursus naar verwijst als het omkeren van oorzaak en gevolg. Het ego werd gemaakt uit de wens van Gods Zoon om zijn eigen vader te zijn: “Het ego is dan ook niets anders dan een waansysteem waarin jij je eigen vader hebt gemaakt. Vergis je hierin niet. Het klinkt waanzinnig wanneer het in alle eerlijkheid wordt gesteld, maar het ego kijkt nooit in alle eerlijkheid naar wat het doet. Toch is dat zijn waanzinnig uitgangspunt dat zorgvuldig verborgen zit in de donkere hoeksteen van zijn denksysteem. En ofwel is het ego dat jij gemaakt hebt inderdaad je vader, of zijn ganse denksysteem houdt geen stand” (T11.In.2:4-8). Met het ego als vader, vereenzelvigt de Zoon zich nu met het lichaam en heeft een thuis nodig. De denkgeest brengt de wereld dan naar het gewaarzijn om als thuis te dienen voor de vader/het ego en zijn zoon/het lichaam. Zoals Jezus in het Tekstboek zegt, is dit het probleem: “Jij wilt de wereld die je ziet niet werkelijk, want ze heeft jou sinds het begin der tijden teleurgesteld” (T13.VII.3:1).

Dat wil niet zeggen dat je niet kunt genieten van de schoonheid die je in de wereld vindt en ook van andere dingen die aangenaam zijn voor het lichaam, zoals muziek of kunst. Hoewel ze ontstaan is om het ego te dienen, kan de wereld het middel worden om het geloof in het ego ongedaan te maken. Ze kan het doel van de Heilige Geest dienen, dat begint met de erkenning dat de wereld tot stand is gekomen door de overtuiging van de denkgeest dat de afscheiding niet alleen mogelijk is, maar ook volbracht is, en werkelijke gevolgen heeft gehad. Je verwondering is een aanduiding dat dit nieuwe gezichtspunt al bij je opgekomen is. Vanaf dit punt is het belangrijk met zachtheid voort te gaan met het vervangen van het denksysteem van het ego door dat van de Heilige Geest. De schoonheid van de natuur anders leren zien betekent niet dat je er niet van kunt genieten. Wanneer je de Heilige Geest als je leraar kiest, wordt de wereld een klaslokaal dat op zich al schoonheid heeft door ons een plaats te geven waar we de lessen van Zijn leerplan kunnen toepassen. Als de wereld ons dan haar mooie kant laat zien of de verwoestende gevolgen van de natuur (bv. Katrina), kunnen de lessen van de Heilige Geest in gelijke mate worden toegepast. Voor het ego dienen dus zowel de schoonheid als de verwoestingen van de wereld ervoor om die tot werkelijkheid te maken. Voor de Heilige Geest kunnen noch de schoonheid, noch de verwoestingen dienen om afbreuk te doen aan de vrede van God of een belemmering te vormen voor de voortgang op het pad naar de schoonheid van ons ware Thuis.

Zie ook V#70 en V#121.