Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1049 Waarom moeten we de wereld van onze Vader vergeven?

De eerste regel van les 359 luidt: “Vader, vandaag zullen we Uw wereld vergeven en de schepping van U laten zijn” (WdII.359.1:1). Ik begrijp niet waarom er naar de wereld wordt verwezen als “Uw wereld”. Wij hebben de wereld gemaakt die vergeving nodig heeft. De ‘wereld’ die de Vader heeft geschapen is de Hemel en die heeft geen vergeving nodig. Waarom moeten we “Uw wereld” dan vergeven? Ik zou het hebben begrepen als er ‘onze wereld’ had gestaan. Er is hier iets dat me in de war brengt.

Antwoord: Je hebt gelijk, de wereld van de Vader is de Hemel, die op zich geen vergeving nodig heeft. We moeten de Hemel/Gods wereld vergeven omdat we de verantwoordelijkheid voor de afscheiding erop geprojecteerd hebben, en dus op God. In een poging om aan de verantwoordelijkheid te ontsnappen voor de keuze van de denkgeest om afgescheiden te zijn, zegt het ego ons dat God ons uit de Hemel heeft verbannen als straf omdat we de afscheidingsgedachte serieus hebben genomen. We vergeven Gods wereld door te aanvaarden dat de beslissing om afgescheiden te zijn een keuze in de denkgeest is, waarvan God geen weet heeft. Zijn onveranderlijke wereld blijft onberoerd door de keuze, zoals Jezus ons zegt: “…niet één noot in het lied van de Hemel werd gemist” (T26.V.5:4). De noodzaak om de Hemel te vergeven ontstaat wanneer de denkgeest die gelooft dat de afscheiding inderdaad heeft plaatsgevonden en vernietigende gevolgen heeft gehad, aanstoot neemt aan de onveranderlijkheid van de Hemel, en de onveranderlijkheid van Gods Liefde. Doordat de denkgeest voor de afscheiding heeft gekozen, worden God, Zijn Liefde en Zijn wereld als bedreigend gezien, omdat in Hen alle speciaalheid verdwijnt.

De prachtige gebeden in de tweede helft van het Werkboek zijn tot de denkgeest gericht, niet tot God, die geen gebeden hoort. Het is een poëtische, meditatieve manier om de principes te herformuleren die eerder in het Werkboek werden onderwezen. Net als de enkele stem waarmee de Zoon tot de Vader zingt, en Hij tot de Zoon (L1.In.1), zijn de gebeden een uitdrukking van de denkgeest die zijn bereidwilligheid naar zichzelf terug spiegelt om volgens de ideeën te leven die in het gebed vervat zijn. In dit geval doen we onszelf eraan denken dat we ons de Hemel willen herinneren, en die willen bevrijden van alle oordelen die onze schuldbeladen denkgeest erop geprojecteerd heeft. Het is ons verlangen ons te herinneren dat de Hemel ons niet in de steek heeft gelaten; wij hebben de Hemel in de steek gelaten door wat wij gekozen hebben. Net zoals we die vergeten hebben, kunnen we ons die weer herinneren, en aldus is hij vergeven.