Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1006 Ik voel me schuldig omdat ik een paar keer een miskraam heb gehad.

Ik heb je antwoord op V#15 gelezen, maar ik heb toch nog wat meer hulp nodig. Ik heb een gezonde zoon, waar ik dolblij mee ben en die er door middel van in-vitrofertilisatie gekomen is. Ik wilde graag nog meer kinderen, maar sindsdien heb ik twee miskramen gehad. Ik denk dat dat grotendeels mijn schuld is omdat het op mijn leeftijd – ouder dan 40 – riskant is en dit lijkt er het bewijs van: twee embryo’s zijn overleden door schade aan de chromosomen. Ik heb echt het gevoel dat ik ze allebei vermoord heb door te kiezen voor magie – de in-vitrofertilisatie. Dit nu is mijn probleem: als ik met mijn zoon samen ben, wordt me bijna dagelijks gevraagd of hij mijn ‘enig kind’ is. Ik krijg dan onmiddellijk schuldgevoelens. Ik weet dat zo’n vraag alleen maar bedoeld is om een gesprek te beginnen, maar het voelt als een aanval. Ik heb problemen met de miskramen, oudere stiefkinderen en adoptie, en al mijn gevoelens borrelen naar boven. De laatste keer kon ik alleen maar vol schaamte en schuld met mijn hoofd knikken. In het bijzijn van mijn vijfjarige zoon en zonder kennis van alle details, kan ik geen tegenaanval beginnen, zoals mijn ego wil: ‘Nee, hij is niet mijn enige kind, de andere twee zijn dood!’ Ook besef ik dat een aanval iedereen van mij zou vervreemden. Maar inwendig voel ik dat op de knoppen van mijn gevoelens van zonde, schuld en angst wordt gedrukt. Ik weet nog altijd niet hoe ik met dit alles moet omgaan.

Ik erken wat er op dat moment gebeurt en hoe woedend ik word. Ik zie in hoe ze deze diepe pijn bovenbrengen (die oppervlakkig is vergeleken bij de originele pijn omdat ik God heb gedood) en daarom zou ik met woorden of in mijn fantasie, de persoon willen ‘doden’ die ik als mijn aanvaller zie, hoewel die mij zonder opzet de spiegel heeft voorgehouden, zodat ik naar mijn schuld kan kijken. Ik weet verstandelijk ook wel dat ik mijn ongeboren kinderen niet gedood heb, maar een deel van mij gelooft dat blijkbaar niet. Ik vraag Jezus om hulp en toon hem mijn negatieve gedachten, maar ik wil meer genezing dan dit. Ik vind het moeilijk om de uitspraak te aanvaarden: “Verlies is geen verlies wanneer het juist wordt gezien.” Ik begrijp verstandelijk wel dat dit allemaal illusie is, dat ik niet een lichaam ben. Maar wanneer dit bovenkomt, zijn het voor mijn ego niet meer dan begrippen.

Antwoord: Al jouw gevoelens zijn oké. Je hoeft niet te proberen de intellectuele begrippen van Een cursus in wonderen te gebruiken om verandering te brengen in wat je lijkt te overkomen. Op een bepaald punt op je spirituele pad zul je op een dieper niveau weten dat ze waar zijn, maar momenteel wil je gewoon zo eerlijk mogelijk zijn over je gedachten en gevoelens omtrent je levensomstandigheden – ze vormen uiteindelijk je klaslokaal. Meestal spreek je over je schuld, maar ook je woede komt heel duidelijk tot uiting. En hoewel je je woede erkent naar buitenstaanders die je vragen stellen, is het bijna zeker dat er lagen zijn in die woede die je misschien overslaat door overhaast naar de ontologische verklaring te gaan dat je God hebt gedood. En al die verdedigingslagen die je niet herkent of erkent, blijven onbewust in je denkgeest doorwerken, en houden je focus buiten jezelf, wat natuurlijk hun bedoeling is, ondanks je beste bedoelingen om naar de schuld van binnen te kijken.

Wat houden deze andere lagen zoal in? Je woede jegens buitenstaanders lijkt buitensporig in verhouding tot de aard van hun ‘aanval’, zoals je zelf erkent. Je vindt het wellicht veiliger je woede op hen gericht te houden dan op andere misschien minder bewuste doelwitten. Want het lijkt waarschijnlijk, uit wat je zegt, dat je eerder kwaad bent omdat je niet de kinderen kunt krijgen die je wilt. Misschien ben je kwaad op een echtgenoot of ex-echtgenoot, een minnaar, een ouder of God: iemand anders die er op de een of andere manier verantwoordelijk voor is dat jij beroofd bent van wat je zo wanhopig wenst. Daardoor moest je op je eigen creatieve pogingen vertrouwen om zelf de kinderen te krijgen die je het gevoel zouden geven dat je leven compleet is. En dan is er ook nog het grote verdriet en het leed om het zich herhalend verlies. Het is belangrijk dat je de woede en het verdriet blootlegt die je met je meedraagt, en alle verborgen rechtvaardigingen voor die gevoelens, niet omdat ze waar zijn, maar omdat jij op een bepaald niveau nog altijd gelooft dat ze waar zijn. En je kunt dit niet overhaast ontologisch uitleggen zonder zo helder mogelijk naar de verdedigingslagen van het ego te kijken, anders worden die verdedigingen niet onderzocht en blijven ze intact (T11.V.1;2:1-2).

Wanneer je eenmaal in contact komt met de woede en de specifieke gedachten achter die woede, kun je je verantwoordelijkheid nemen voor de projectie die te maken heeft met deze oordelen over anderen. Het is zeker zo dat alle niveaus van woede gewoon verdedigingen zijn tegen de onderliggende ontologische schuld. Maar de gedachte dat we geloven dat we God gedood hebben is voor de meesten van ons grotendeels een intellectueel begrip, en zoals Jezus ons zegt “een ogenblik zo lang vervlogen dat het voorbij alle herinnering, en zelfs buiten de mogelijkheid tot herinneren ligt” (H2.4:1). Maar elk ogenblik dat we voor het ego kiezen en onze eigen noden en verlangens boven die van ieder ander stellen, beleven we de inhoud ervan opnieuw. We kunnen dus op z’n minst beginnen met eerlijk in te zien hoezeer we de dingen naar onze hand willen zetten en hoe kwaad we op iemand anders kunnen worden als die onze wensen in de weg staat. Met die projectie kunnen velen van ons zich beginnen te vereenzelvigen. Anderen zullen hun eigen noden op de eerste plaats zetten, maar daar zullen we niet kwaad om worden tenzij we hetzelfde doen, maar dit voor onszelf niet willen toegeven.

Jezus verzekert ons dat we uiteindelijk dit zullen leren: “Het is niet nodig om angst [en schuld] te volgen langs alle kronkelwegen waarmee hij zich ondergronds ingraaft en zich in het duister schuilhoudt, om vervolgens tevoorschijn te komen in vormen die totaal verschillen van wat hij is. Maar het is wel nodig elk afzonderlijk te onderzoeken zolang je aan het principe wilt vasthouden dat ze allemaal regeert” H15.X.5:1-2). En dat principe waar we allemaal nog altijd aan vasthouden, en ons zelfs aan vastklampen, is dat de afscheiding en de ermee gepaard gaande schuld – en het eruit voortkomende individuele zelf waar elk van ons zich mee vereenzelvigt – werkelijk zijn en verdediging nodig hebben. Maar voor we op dat niveau de schuld echt kunnen ervaren, zullen we eerst moeten beginnen met alle specifieke uitingen van onze schuld te erkennen. Die worden gewoonlijk toegankelijk voor ons als we eerst onze woede jegens anderen en de oordelen die we tegen hen hebben, erkennen. Mettertijd zullen we de rode draad zien die door al onze projecties loopt, en de ontologische schuld zal steeds meer een ervaring worden in plaats van een intellectueel begrip. Maar we zullen de behoefte aan die verdediging los kunnen laten door bij ieder voorval met Jezus naar onze projecties te kijken en de onderliggende schuld als de onze te aanvaarden. En de behoefte aan iets of iemand – volwassene of kind – om de leegte van binnen te vullen zal zijn macht over ons verliezen. En vrede en vreugde zullen dan de ruimte vullen die de verdwenen schuld en de woede leeg gelaten hebben.