Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1141: Ik ben bang de liefde van mijn ‘speciale’ relaties te verliezen als ik de Verzoening aanvaard

Ik word erg bang bij de gedachte dat de Hemel binnengaan betekent dat ik mijn ego verlies en alles van deze wereld vergeet – vooral mijn vrienden of mijn ouders of mijn zoon. Ik wil hen niet vergeten. Ik wil voor altijd in liefde bij hen zijn. Het idee hen te verliezen roept weerstand en angst in me op. Het lijkt zo eenzaam om bij God en slechts één te zijn. Ik voel me mijn hele leven al afgescheiden en alleen, en in de Hemel zijn lijkt me niet erg aantrekkelijk. Waar zit mijn misverstand?

Antwoord: Je bent een van de velen. De angst die je beschrijft maakt dat de wereldpopulatie explosief blijft groeien. We zien lange wachtrijen in Disneyland, maar absoluut niet bij de Hemelpoort. Doordat de denkgeest zich identificeert met het ego vindt hij de nondualistische aard van de Hemel buitengewoon bedreigend, ondanks het feit dat hij geen weet heeft van nondualiteit. De enige werkelijkheid van het ego is de veelheid van de afscheiding. Het is doodsbang voor eenheid, omdat zijn bestaan afhangt van dualiteit. De som en substantie van zijn cyclus van leven en dood is variatie, verandering, opwinding, emotionele achtbanen en diversiteit. In feite verkondigt het lied van het ego: “Het enige constante is verandering.” Om zijn pleidooi voor afscheiding te versterken, roept het visioenen van de Hemel op als een plaats van verveling, eenzaamheid en vernietiging. Dit is een volmaakt voorbeeld van het principe van projectie: wanneer de denkgeest de eenzaamheid van zijn zelfopgelegde ballingschap ervaart, die veroorzaakt wordt door zijn afwijzing van zijn Identiteit als Gods Zoon en het verlaten van zijn thuis, ontkent hij de eenzaamheid van de afscheiding en verzint een vervangend “thuis”: de wereld, vol speciale relaties om de leegte op te vullen. Hij projecteert wat ontkend werd en neemt de Hemel waar als een eenzame plaats van verbanning. Op die manier beschermt de denkgeest zichzelf tegen het bewustzijn van de verwoestende gevolgen van de keuze voor afscheiding, zodat hij die keuze in stand kan houden. De denkgeest draait dus alles om, zodat hij zich kan verzetten tegen de keuze om terug te keren naar zijn thuis bij God, waar elk gevoel van eenzaamheid verdwijnt en elk fragment van het Zoonschap (ouders, kinderen, vrienden) verenigd is in de eenheid van Gods Liefde.

In antwoord op onze angst voor het terugkeren naar ons ware thuis, heeft Jezus een zeer troostende boodschap: “Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden” (T16.VI.8:1-2). Niet alleen de tijd is mild, ook de vergeving die Jezus onderwijst is een mild en zachtaardig genezingsproces. Het neemt speciale relaties niet van ons af, maar transformeert ze om diegenen in te sluiten die ze bedoelden uit te sluiten. Het tempo wordt alleen bepaald door onze bereidwilligheid om de afscheidingsleugen van het ego te vergeten, en ons te herinneren wat het betekent om één te zijn. Door de identificatie met het lichaam maakt de denkgeest ogen die andere lichamen zien die werkelijk lijken te zijn, en emotionele verbindingen die werkelijker lijken dan de eenheid die God geschapen heeft. Deze speciale relaties met geliefden zijn de substituten van het ego voor de relatie tussen de Vader en Zijn Zoon, wat de enige echte relatie is. Dit kan alleen begrepen worden in de context van het onderwijs van Een cursus in wonderen dat we een denkgeest zijn, niet een lichaam. De Cursus onderwijst dat buiten de denkgeest niets bestaat (T18.VI). De denkgeest die ervoor kiest te geloven dat de afscheiding werkelijk is, splitst zich in twee delen.

De juist gerichte denkgeest herinnert zich de eenheid van Gods Liefde, en deze herinnering bevat elk gefragmenteerd deel van het Zoonschap. Niemand is uitgesloten, verloren, of eenzaam. De liefde die uit dit deel van de denkgeest stroomt, omarmt familieleden, samen met ieder ander. Wanneer de denkgeest deze allesomvattende liefde kiest als zijn enige identiteit, verenigt hij zich met de eenheid van Gods Liefde; de Hemel die hij nooit verlaten heeft.

De onjuist gerichte denkgeest daarentegen kiest ervoor zich te identificeren met het lichaam, dat exclusief is vanwege het simpele feit dat het gebonden is aan beperkingen. Een lichaam kan niet alleen niet iedereen liefhebben, het kan helemaal niet liefhebben. "Het [lichaam] werd gemaakt om het onbeperkte te beperken” (T18.VIII.1:3), maar: “Liefde kent geen grenzen, want ze is overal” (WdI.103.1:4). We kunnen daarom concluderen dat wat beperkt is, geen liefde is. Wat de wereld “liefde” noemt, noemt de Cursus speciaalheid, een “liefde” onderhevig aan verandering, teleurstelling en verlies. Wat verandert is niet blijvend en daarom komt er onvermijdelijk een eind aan de liefde van het ego, hoe aangenaam of nobel ze ook mag lijken. Wat niet blijvend is, is niet werkelijk of eeuwig of aanwezig in de Hemel. Het antwoord van het ego op de pijn en het lijden van het leven is een geloofssysteem dat onderwijst dat we onze overleden dierbaren terug zullen zien in de hemel. Dit is echter een hemel die de wereld weerspiegelt, maar dan een betere wereld. Dit idee is door het ego bedacht om zijn geloof in de afscheiding en een dualistische God te ondersteunen.

De Hemel is niet de eenzame plaats die het ego ons voorspiegelt; het is de staat van de denkgeest waarin iedereen als één is opgenomen. Via het proces van vergeving wordt de speciale liefde, die alleen beschikbaar is voor bepaalde mensen, geleidelijk aan getransformeerd tot de allesomvattende liefde van de juist gerichte denkgeest. Veel passages in de Cursus beschrijven de schoonheid van de werkelijke wereld, die voorafgaat aan de stap naar de eeuwigheid van de Hemel. Hoewel ons niet gevraagd wordt te begrijpen wat uit ons bewustzijn is verdreven door de “…. donkere en zware gewaden van schuld” (T18.IX.9:7), kun je je voorstellen de liefdevolle gevoelens die je hebt voor je ouders en je zoon tot iedereen uit te breiden. Dat is het eindresultaat van de denkgeest die zich met zichzelf verenigt en zich eindelijk thuis voelt. Totdat het laatste sprankje duisternis is verwijderd en er niets meer is dat het zicht op ons vergeten thuis vertroebelt, is onze enige zorg het toepassen van vergeving: kleine, maar zekere stappen in het ongedaan maken van het geloof dat het lichaam alles is wat er is.