Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1133 Naarmate ik meer studeer voel ik mij van anderen vervreemden. Wat is er mis?

Ik bespeur een zekere ironie en paradox in het doel van de Cursus om onze afgescheidenheid van onze broeders, de Zoon van God genaamd, te elimineren, in die zin dat hoe meer ik het boek bestudeer en erin lees er een zekere verandering in mij plaats vindt. Maar, als ik de wereld observeer, in het bijzonder via de nieuwsmedia, merk ik meer verschillen op tussen ons en meer afgescheidenheid, omdat ik niet in staat ben me met de wereld te identificeren. Dat wil zeggen, mijn studie verandert mij en geeft mij doelen die in de wereld niet dezelfde zijn, en zo groeien onze concepten van onszelf langzaam uit elkaar. Is dit het onjuiste gebruik van oordelen? Of is dit juist een verhoogde kans om de ogenschijnlijk toenemende waanzin te vergeven?

Antwoord: Er is een paragraaf in het Tekstboek – “De grotere verbinding” in hoofdstuk 28 – die je kan helpen met je verwarring over wat er lijkt te gebeuren in jouw ervaring. Jouw vergissing is dat je gelooft dat je, als gevolg van het toepassen van de Cursus, jezelf nauwer verbonden zou moeten voelen bij de wereld en zijn inwoners. Dit zou een tijdje het geval kunnen zijn, zolang je je nog met je lichaam identificeert. Maar het doel van Jezus met zijn Cursus is om ons tot de herkenning te brengen dat we niet het ego zijn, noch het denksysteem van afscheiding, noch de manifestaties ervan: lichamen en de wereld. Maar we zijn denkgeest, gevangen in een illusoire droom van afscheiding, terwijl we geloven dat we de figuren in die droom zijn. Het wonder, of vergeving, is een proces waarbij we ons na verloop van tijd geleidelijk steeds meer identificeren met de denkgeest die droomt, en steeds minder met de figuren in de droom. Dit proces vordert als we simpelweg leren om alle oordelen los te laten die we over alle figuren in de droom hebben, inclusief de figuur waarvan we denken dat het ons eigen afgescheiden, individuele zelf is. Dus kun je zeggen dat het doel van de Cursus is om de afscheiding te gebruiken voor genezing, door te leren onszelf als denkgeest af te scheiden van het ego en al zijn uitdrukkingsvormen.

Maar het is niet simpelweg een proces waarbij de wereld en al zijn waanzin en lijden verstandelijk wordt ontkend, want dat is helemaal geen genezing. Dus moeten we ons afvragen of we enige identificatie met en compassie voor andere denkgeesten hebben, die gevangen zitten in hetzelfde pijnlijke web van ego-illusie, en erkennen dat we allemaal hetzelfde onderliggende probleem delen. En wanneer we merken dat we reageren op wat lijkt te gebeuren met wie ook van de figuren in de droom, dan identificeren we ons opnieuw met de ego-illusie en maken we opnieuw zonde, schuld en pijn werkelijk in onze eigen denkgeest, net zoals iedereen. De oplossing is simpelweg: het herkennen van onze keuze voor het ego, onszelf hiervoor niet veroordelen, en ons dan herinneren dat er altijd een andere keuze beschikbaar is, wanneer we die willen.

Hoewel je het misschien behulpzaam vindt om de hele paragraaf te lezen, zullen we naar sommige passages kijken van “De grotere verbinding”, die onderbouwen wat we zojuist beschreven:

“De Verzoening voor jezelf aanvaarden betekent geen steun verlenen aan iemands droom van ziekte en dood …. Als jij hem niet helpt, zul je samen met hem pijn lijden, omdat dit jouw wens is. En jij wordt dan een figuur in zijn droom van pijn, zoals hij in die van jou. Zo worden jij en je broeder beiden illusies, zonder identiteit …. Weiger deel uit te maken van angstige dromen, welke vorm ze ook aannemen, want je zult je identiteit erin verliezen. Jij vindt jezelf door niet te aanvaarden dat ze jou veroorzaken, en jou gevolgen bezorgen. Jij staat er los van, maar niet los van degene die ze droomt. Zodoende scheid je de dromer van de droom en verbind jij je met de een, maar laat het andere los. De droom is slechts een illusie in de denkgeest. En met de denkgeest wil jij je verenigen, maar nooit met de droom …. Net als jij denkt jouw broeder dat hij een droom is. Deel niet in zijn illusie van hemzelf, want jouw Identiteit is aangewezen op zijn werkelijkheid. Denk in plaats daarvan aan hem als aan een denkgeest waarin illusies nog wel standhouden, maar niettemin een denkgeest die een broeder voor jou is. Hij is niet tot broeder gemaakt door wat hij droomt, noch is zijn lichaam, de ‘held’ van de droom, jouw broeder. Het is zijn werkelijkheid die jouw broeder is, zoals de jouwe dat is voor hem. Jouw denkgeest en de zijne zijn in broederschap verbonden ….. Identiteit heeft in dromen geen betekenis, omdat de dromer en de droom één zijn. Wie een droom deelt, moet wel de droom zijn die hij deelt, want door te delen wordt een oorzaak teweeggebracht. Je deelt de verwarring en je bent verward, want in de kloof bestaat geen stabiel zelf. Wat hetzelfde is lijkt verschillend, omdat wat hetzelfde is zich anders voordoet. Zijn dromen zijn de jouwe, omdat jij dat toelaat. Maar als jij de jouwe zou wegnemen, zou hij daarvan en tevens van de zijne zijn bevrijd. Jouw dromen zijn getuigen voor de zijne, en de zijne getuigen van de waarheid van die van jou. Maar als jij ziet dat er in de jouwe geen waarheid schuilt, zullen zijn dromen verdwijnen, en zal hij begrijpen waardoor de droom werd voortgebracht” (T28.IV.1:1,6-8; 2:2-7; 3:1-6; 5:4-5; 6:1-6, cursivering toegevoegd).