Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1197 Zijn we niet op de een of andere manier verantwoordelijk voor de daden van anderen?

In het onderricht van de Foundation, gebaseerd op Een cursus in wonderen, heb ik vaak horen zeggen dat ik niet verantwoordelijk ben voor de daden van anderen, maar dat ik verantwoordelijk ben voor mijn interpretaties van hun daden. Op ervaringsniveau lijkt dit zeker de juiste manier van verantwoordelijkheid nemen en hulp vragen bij het veranderen van mijn gedachten over wat anderen doen, in plaats van proberen hen te veranderen. Maar omdat ik meer en meer “wie is de ‘ik’ die in deze wereld leeft?” (T4.II.11:8 in ‘ik’-vorm) begin te onderzoeken vraag ik me af of het niet behulpzaam is mijzelf eraan te herinneren dat ik verantwoordelijk ben voor de fragmentatie van mijn Zelf in het zelf dat ervaren wordt als mijzelf en het zelf van anderen. En dat ik deze fragmenten tegen elkaar opzet om het geloof in afscheiding, schuld, zonde enzovoort in stand te houden (T28.VI.4:7), en dus dat ik niet alleen verantwoordelijk ben voor mijn interpretaties, maar ook voor de daden van anderen. En is niet juist deze herinnering (dat we allen één zijn) een vorm van correctie van het geloof in afscheiding en gescheiden belangen?

Antwoord: Ja, beide niveau’s van correctie zijn deel van het proces van ongedaan maken van het egodenksysteem dat we als een vervanging van de waarheid aanvaard hebben. Om de metafoor van een ladder te gebruiken: de tweede trede is een heel stuk voorbij de eerste die je beschrijft, die van de herkenning dat we altijd interpreteren wat anderen doen – de interpretatie vaker wel dan niet rechtstreeks van ons ego komt – de herkenning dat dát het probleem is, en niet wat anderen al dan niet doen. Ons zelfconcept begint geleidelijk aan te veranderen naarmate we dit toepassen, en ons steeds meer op ons gemak voelen bij deze manier van denken. Het moet veranderen, want ons ‘normale’ zelfconcept wordt bijna geheel gedefinieerd door de waarneming: “Ik ben het ding dat jij van mij gemaakt hebt …“ (T31.V.5:3). Daarom ondergaat ons gevoel van wie we zijn een overgang, wanneer we beginnen te beseffen dat we ons zelfconcept gebouwd hebben op wat een verraderlijke samenzwering blijkt om onszelf onschuldig te laten zijn ten koste van God en iedereen, en vervolgens besluiten hulp te vragen om deze misleiding ongedaan te maken. Dit gebeurt zonder dat we ons daadwerkelijk concentreren op het veranderen van iets ánders dan onze interpretaties.

Dit brengt ons naar de volgende trede – en natuurlijk is het geen lineair proces – we beginnen met onszelf in contact te komen als denkgeest, die steeds beslist om óf zich van de eenheid af te splitsen en in een staat van afscheiding en individualiteit te blijven, en anderen de schuld te geven van deze toestand, óf om de voortgang van afsplitsing ongedaan te maken en onze ware Identiteit als één met God, onze Bron, te aanvaarden. Dus ja, op een bepaald punt gaan we beseffen dat onze beslissing om afgescheiden te zijn vereist dat we ons opsplitsten in een veelvoud van figuren dat elkaar tot slachtoffer maakt, en ook slachtoffer wordt van krachten en omstandigheden in de wereld zelf (T18.I.4-5). Op een heel diep niveau is onze schuld zó overweldigend – dat we wensen dat er catastrofen, rampen en wreedheid zijn opdat ons plan om afgescheiden te blijven zonder er verantwoordelijk voor te zijn werkt.

Het is essentieel dat we in gedachten houden dat het zelf dat hier verantwoordelijk voor is, niet het zelf is dat we denken te zijn en dat met de wereld in wisselwerking is – het is de denkgeest buiten tijd en ruimte die deze beslissingen neemt. Maar we moeten onszelf geen geweld aandoen met proberen dat grotere zelf te ervaren, omdat we allemaal enorme angst hebben om het zelf waar we zo vertrouwd mee zijn los te laten. Daarom spreekt Jezus over zijn plan ons te helpen om zacht en zonder angst te ontwaken (T27.VII.13). Dus moet onze aandacht gericht zijn op het ontwikkelen van vertrouwen in Jezus en zijn leiding (T4.VI.3:1; 6:1). Zijn liefdevolle aanwezigheid binnenin ons is er altijd, om mét ons te kijken naar de afschuwelijke samenzwering die we in onze denkgeest ondersteunen. Dan zullen we met hem de volgende stap nemen en beseffen dat het allemaal slechts een uitdrukking is van “een nietig dwaas idee waarom de Zoon van God vergat te lachen” (T27.VIII.6:2). Daarom, wanneer we denken aan “de waanzinnige projectie waardoor deze wereld werd gemaakt”, zegt hij ons “noem het geen zonde … rust haar niet uit met schuld … en bovenal: wees er niet bang voor” (T18.I.6:6-9).