Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1191 Is innerlijk werk ‘voldoende’ in dit leven?

Mijn houding is sinds jaren dat ik vind dat ik genoeg werk heb aan persoonlijke ontmoetingen en relaties, en dat ik niet hoef te zoeken naar meer kwesties via de media. Ik ben ervan overtuigd dat de wereld nooit een betere plek zal worden en dus wend ik mij, niet in berusting maar blijmoedig, naar de enige plek van belang om naar toe te gaan, van binnen, om dáár het werk te doen. Ik stel hierover een vraag omdat ik denk dat, vanwege ons innerlijke werk, de wereld op een dag zal veranderen, en dat we dan blije krantenkoppen zullen zien, in plaats van catastrofale.

Antwoord: Het lijkt erop dat je een belangrijk principe van Een cursus in wonderen weergeeft: “Probeer dan ook niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen” (T21.In.1:7). Het is essentieel dat je begrijpt dat deze passage uitsluitend betrekking heeft op inhoud, en niet op vorm. De eerste zin van de alinea waarin dit citaat voorkomt geeft de context: “Projectie maakt waarneming” (T21.In.1:1). Dit is de kracht van het onderricht van Jezus en zijn training van ons. Hij wil ons correcte waarneming leren, wat betekent een verband leggen tussen onze waarneming en de voorafgaande keuze die we maken in onze denkgeest: ons identificeren met het denksysteem van het ego, óf met dat van de Heilige Geest. Onze interpretatie van wat onze ogen zien vloeit direct voort uit die keuze. Als we ons identificeren met het denksysteem van vergeving, kunnen we naar taferelen van overweldigende verwoesting kijken, en weten dat verwoesting niets met de werkelijkheid te maken heeft (WdII.13.1:3). We zijn dan niet onverschillig voor het lijden van anderen; we zijn in vrede terwijl we de situaties in ons leven en in de wereld aanpakken, omdat we weten dat pijn en lijden onze werkelijkheid niet definiëren. We zijn ín de wereld, maar niet ván de wereld.

De oorsprong van de wereld is een aanvalsgedachte (WdII.3.2:1), en daarom is het niet verwonderlijk dat de krantenkoppen voortdurend schreeuwen over rampen en catastrofes. Dat zal doorgaan totdat de denkgeest van Gods Zoon niet langer aangetrokken wordt tot afscheiding. Wanneer we ongenegen zijn om de hoge prijs te betalen van afgescheiden zijn, zullen we om hulp vragen om anders te denken over het doel van onze aanwezigheid hier, en dan zal de wereld een ander doel op zich nemen: “Ze wordt het huis waarin vergeving wordt geboren, waar ze groeit en sterker wordt en allesomvattender. Hier wordt ze gevoed, want hier is ze nodig” (H14.2:2-3). Wanneer iedere schijnbaar afgescheiden denkgeest eindelijk de Verzoening aanvaard heeft, zal de wereld niet een betere plek worden met “blije krantenkoppen”: “Ze zal eenvoudig ophouden schijnen te bestaan” (H14.2:12). Er zal geen wereld meer nodig zijn wanneer er niet langer enige schuld in onze denkgeest is die geprojecteerd moet worden. Maar we hoeven niet bang te zijn dat de wereld zal verdwijnen vóórdat we eraan toe zijn om haar achter ons te laten: “Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden. De dringende noodzaak bestaat alleen hierin dat jij je denkgeest loswrikt uit zijn verstarde positie hier” (T16.VI.8:1-3).

In de paragraaf “Ik hoef niets te doen” leert Jezus ons hoe we zijn unieke pad van vergeving kunnen gaan, een pad dat ons stil en vredig in onze denkgeest houdt terwijl we actief bezig zijn in de wereld. Het is geen pad van onverschilligheid of escapisme. Een manier om deze benadering te beschrijven is zeggen dat we leren passief worden voor het ego, maar niet voor de Heilige Geest. Onze vrede wordt ondersteund door onze keuze ons te identificeren met het denksysteem van de Heilige Geest, omdat dan wát we ook doen, dit door ons heen gedaan wordt, zonder inspanning of moeite van onze kant. Dat is de essentie van Jezus’ boodschap in deze paragraaf: “Niets doen betekent rusten en binnenin je een plaats maken waar de activiteit van het lichaam niet langer aandacht eist. … Dit rustige centrum, waarin je niets doet, zal bij je blijven, en jou rust geven te midden van alle drukke bezigheden waarop je wordt uitgestuurd. Want vanuit dit centrum zal je gewezen worden hoe je het lichaam zondeloos kunt benutten. En dit centrum, waarin het lichaam afwezig is, zal het zo in je bewustzijn ervan bewaren” (T18.VII.7:7; 8:3-5).