Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1142 Wat wordt bedoeld wanneer de Cursus zegt dat we ervaring ‘opnieuw zien’?

De metafysica van de Cursus zegt dat we ervaring opnieuw zien. Wat en wie had de oorspronkelijke ervaring? Als het antwoord nog steeds wij is (of de waarnemer), hoe weten we dan dat we die oorspronkelijke ervaring niet op dit moment hebben, aangezien dat in lijn zou zijn met de ‘traditionele’ ego waarneming van ruimte en tijd. Is het antwoord dat de oorspronkelijke schepping buiten ruimte en tijd door de afgescheiden Christus werd gemaakt, dat in een flits, vanwege de ongelooflijke creatieve kracht van Christus, het ego tevoorschijn kwam, zodanig in de afscheidingsgedachte verdiept raakte en zichzelf in een schier oneindig aantal (herhalende) gedachten versplinterde, dat het uiteindelijk geloofde dat het werkelijk afgescheiden was, schuld ontwikkelde, en vervolgens op alles wat het schiep begon terug te kijken in termen van menselijke ervaring, dat wil zeggen in termen van ruimte en tijd als afgescheiden lichamen? Met andere woorden de oorspronkelijke ervaring hadden we niet als mensen, maar slechts als gedachte, maar het ongelooflijke creatieve vermogen, en helaas de eruit voortkomende schuld over deze creativiteit, transformeerde die ervaring van gedachte naar gescheiden lichamen.

Antwoord: Een cursus in wonderen stelt: “wij zien de reis slechts vanaf het punt waarop ze eindigde en kijken erop terug, terwijl we ons inbeelden dat we haar nog eens maken; en we zien mentaal opnieuw wat is voorbijgegaan” (WdI.158.4:5). Van belang is, dat deze uitspraak komt nadat Jezus uitlegt dat tijd niet is wat wij denken dat die is; hij corrigeert ons op het ego gebaseerde begrip dat de tijd één richting uitgaat en een ons onbekende toekomst heeft (WdI.158.3:5,7). Hij zegt ons dat tijd onderdeel is van het egoplan om ons weg te leiden van de waarheid; en als zodanig is het “een kunstgreep, een goocheltoer, een immense illusie…” (WdI.158.4:1). Dit weerspiegelt de verklaring in het Tekstboek die luidt: “Elke dag, en iedere minuut van elke dag, en elk ogenblik dat iedere minuut bevat, herbeleef je slechts het ene ogenblik waarop de tijd van verschrikking de plaats van liefde innam … Zo is elk leven: een ogenschijnlijk interval van geboorte naar dood en opnieuw naar leven, een herhaling van een ogenblik dat lang geleden al voorbij was en niet kan worden herbeleefd. En alle tijd is niets anders dan de waanzinnige overtuiging dat wat voorbij is nog steeds hier is en nu” (T26.V.13:1,3-4).

Jezus richt zich tot ons als keuze makende denkgeest buiten tijd en ruimte, die verstrikt is in de dynamiek van ontkenning, projectie en verdediging. Uiteindelijk is er slechts één denkgeest (met kleine letter): de Zoon van God die gelooft dat hij erin geslaagd is om zich van zijn werkelijkheid binnen de volmaakte Eenheid van God af te splitsen (een afscheiding die de Cursus als onmogelijk definieert, en daarom geheel illusoir). De Zoon van God is in dit verband niet Christus, Die één met God blijft, als Zijn schepping in de Hemel. Schepping is in de visie van de Cursus totaal anders dan het Bijbelse begrip. Het Bijbelse begrip gaat over God Die buiten Zichzelf schept. God schept alleen als Zichzelf (T8.II.7:6); en de schepping is de eeuwige, niet-ruimtelijke uitbreiding van liefde die alleen in de Hemel plaatsvindt – God schept Christus, en Christus zet de uitbreiding van liefde voort in Zijn scheppingen.

De afgescheiden Zoon behoudt de herinnering aan zijn ware Identiteit als Christus, hoewel die door zijn eigen keuze voor zijn bewustzijn verborgen is. Het ego is simpelweg dat deel van de denkgeest van de Zoon zoals hij nu denkt te zijn, dat zijn ware Zelf (Christus) afgesplitst heeft. Als zodanig vertegenwoordigt het ego het denksysteem van afscheiding.

Op het ogenblik dat gedacht werd dat de afscheiding van de Totaliteit en Heelheid had plaatsgevonden, spon zich hier onmiddellijk iedere denkbare vorm van afscheiding uit. De dynamiek van de afscheiding brengt het ‘zo ver mogelijk van eenheid vandaan gaan’ met zich mee, zodat de oorspronkelijke staat van eenheid niet langer herinnerd, en zelfs als wezensvreemd en onnatuurlijk beschouwd wordt: “Totale abstractie [vormloosheid] is de natuurlijke hoedanigheid van de denkgeest. Maar een deel ervan is nu onnatuurlijk. Het beziet niet alles als één. Het ziet in plaats daarvan slechts fragmenten van het geheel … “ (WdI.161.2:1-4). “… [zo]dat hij niet beseft dat hij vergeten is waarvandaan hij kwam, waarheen hij gaat en zelfs wie hij werkelijk is” (WdI.166.4:4).

Schuld is nauw verbonden met het geloof in afscheiding, maar alleen omdat de keuze voor afscheiding van God door het ego als zonde werd gebrandmerkt. Een gigantisch systeem van verdedigingen ontwikkelde zich om met de pijn van die schuld in de denkgeest om te gaan. Dat karakteriseert een belangrijk aspect van onze ervaring als mens, maar we zijn ons van deze ondergrondse dynamiek niet bewust. Dat is een van de doelen van de Cursus – ons helpen ons bewustzijn van onszelf als denkgeest terug te winnen, zodat we om kunnen gaan met de bron van al onze problemen en pijn, en leren dat zonde en schuld verzonnen concepten zijn. Uiteindelijk zullen we beseffen dat het enige probleem is dat we, als Zoon van God, in plaats van te lachen om het dwaze idee van afscheiding van de Totaliteit, het serieus namen (T27.VIII.6:2-3). Toen begon het proces van miscreatie, zoals Een cursus in wonderen het werk van het ego noemt. Onze enige verantwoordelijkheid, ons enige doel is de Verzoening voor onszelf aanvaarden, wat betekent: ons herinneren dat we ons nooit werkelijk van onze Bron hebben afgescheiden.