Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1130 Wat wordt bedoeld met ‘een geketende wil’ en wie heeft hem geketend?

Ik ben in de war door de volgende zinnen uit het Tekstboek van Een cursus in wonderen: “Je kunt tijd rekken en je bent tot immens uitstel in staat, maar je kunt niet totaal afdwalen van je Schepper, die een grens stelt aan je vermogen tot miscreëren. Een geketende wil laat een situatie ontstaan die in het uiterste geval volslagen onverdraaglijk wordt” (T2.III.3:3-4). Wie heeft onze wil geketend? God?

Antwoord: Wij hebben zelf onze wil gevangen gezet door te ontkennen Wie we werkelijk zijn. Onze wil is één met die van God, wat betekent dat we alleen willen wat God wil (zie T8.IV.7:1-2; T11.III.3; T14.III.14). In onze huidige beperkte toestand kunnen we niet precies weten wat dat betekent, behalve dat onze ware functie als Gods Zoon scheppen is met Hem in de Hemel: liefde zonder beperking uitbreiden (WdI.192.1). Omdat we ontkend hebben Wie we werkelijk zijn, zijn we niet vrij om onze ware functie te vervullen, en dat kan alleen maar leiden tot onverdraaglijke pijn. We geloven dat onze wil afgescheiden is van die van God; we geloven bijvoorbeeld dat Hij ons kan vragen om iets te doen wat we niet willen. Hetzelfde geldt voor Jezus – we denken soms dat wat hij voor ons wil indruist tegen wat wij voor onszelf willen. We zijn dol op speciaalheid en willen die niet opgeven; toch zegt Jezus ons dat onze investering in speciaalheid ons ervan weerhoudt de waarheid te kennen (T24.II.4-5). We verkeren in een voortdurende conflicttoestand, met frustratie als gevolg. Zolang we geloven dat we onze eigen afgescheiden identiteit hebben, kunnen we alleen maar miscreëren, en onszelf wijsmaken dat we met iets waardevols en prijzenswaardigs bezig zijn.

In de passages die jij aanhaalt leert Jezus ons dat we kunnen volharden in onze valse identiteit, afgescheiden van hem en van God, maar die keuze zal de afscheiding en ons individuele zelf nooit werkelijk maken. De waarheid over onze eenheid van wil zal altijd blijven leven in onze denkgeest – begraven, maar niet uitgedoofd. En op een bepaald moment, hoe lang het ook mag duren, zal de diepe, inwendige pijn en frustratie van de wetenschap dat we ons in alles en in het bijzonder over ons eigen zelf hebben vergist, er de oorzaak van zijn dat we om “een andere manier” schreeuwen, zoals Jezus zegt in de volgende zinnen van de alinea die jij hebt aangehaald (T2.III.3:5-7).

Hem om hulp vragen is de eerste stap uit de gevangenschap die we onszelf hebben opgelegd. En dus leert hij ons: “Door te geloven dat jouw wil van de mijne is gescheiden, stel jij jezelf buiten de Wil van God, die jijzelf bent. … Er is geen scheiding tussen God en Zijn schepping. Dit zul jij inzien wanneer je begrijpt dat er tussen jouw wil en die van mij geen scheiding bestaat. Laat Gods Liefde op je stralen door mij te aanvaarden. Mijn werkelijkheid is die van jou en die van Hem. Door jouw denkgeest met die van mij te verbinden geef jij te kennen dat jij je ervan bewust bent dat de Wil van God Eén is” (T8.V.2:3,8-12).