Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1064 Ik zoek naar een beter begrip van de vraag of we nu wel of niet moeten proberen het lijden in de wereld te verzachten

De media berichten vaak over de bestrijding van armoede in de wereld. Ook lijken veel mensen zich geroepen te voelen deze wereld te veranderen. Ken Wapnick wijst er in zijn tapes en teksten vaak op dat dit een vergissing is, omdat we de wereld niet kunnen veranderen. Ik weet dat dit waar is op het niveau van de waarheid. Maar wanneer ik erover bid en Jezus vraag hoe ik hierover moet denken, lees ik delen in het Tekstboek zoals “Want Zij zijn gekomen” en krijg ik de indruk dat Jezus er extatisch over is (samenwerking). Jezus heeft de zieken niet genezen of de doden opgewekt alleen maar omdat ziekte en dood deel uitmaken van de illusie (en ik denk graag dat hij deze dingen echt gedaan heeft). Op een praktisch niveau wil ik graag denken dat als ik zou verhongeren, iemand me wanhopig zou willen helpen. Heeft dit iets te maken met ware empathie? Ik voel me haast schuldig terwijl ik dit schrijf, want ik weet dat mensen op dit moment van armoede sterven.

Antwoord: Laten we beginnen met verduidelijken wat je denkt dat je Ken Wapnick hoorde zeggen, en wat de Cursus zegt over het veranderen van de wereld. Het is niet zo dat we de wereld niet kunnen veranderen – op dit niveau doen mensen het de hele tijd. Het punt is dat de wereld niet het werkelijke probleem is, en je hierop richten is trachten de gevolgen te veranderen, in plaats van naar de wortel die ons ‘niet gelukkig zijn’ veroorzaakt te gaan, en die ligt in de denkgeest (T21.In.1). Vanuit het perspectief van de Cursus is de wereld niet meer dan een projectie van de afscheidingsgedachte in de denkgeest, en uiteindelijk zullen we tot het besef komen dat geen van beide werkelijkheid is. Als je probeert de buitenwereld te veranderen dan vermijd je het werkelijke probleem vanbinnen op te lossen.

Dit soort waarschuwing is gericht tot studenten van de Cursus, en heeft alleen betekenis vanuit het perspectief van de metafysische principes van de Cursus. Voor iemand die zich aangetrokken voelt tot een ander spiritueel pad, zal het heel waarschijnlijk weinig of geen betekenis hebben. Daarom is het een vergissing om het onderricht van de Cursus te gebruiken om anderen te beoordelen, die tot stand willen brengen wat ze als een betekenisvolle verandering in de wereld zien, zoals verlichten van lijden. Wij kunnen simpelweg nooit weten wat voor anderen op hún Verzoeningspad het meest behulpzaam is.

Het is belangrijk dat je begrijpt dat de Cursus nooit over gedrag spreekt, maar alleen over gedachten in de denkgeest, in het bijzonder over het doel dat die gedachten geven aan wat je in de wereld lijkt te doen. De Cursus zegt bijvoorbeeld nooit dat je anderen in nood niet moet helpen of de honger in de wereld niet moet elimineren. Maar hij zegt wel dat je aandacht moet geven aan de gedachten achter je daden. En als je bijvoorbeeld de armen en hulpelozen ziet als overgeleverd aan gewetenloze overheden en ondernemingen of onpersoonlijke natuurkrachten, dan versterk je je geloof in slachtoffers en daders, alsook in verschillen, afscheiding en verlies. En dit soort onware inleving, dat onderscheid maakt tussen onschuldigen en schuldigen, helpt werkelijk niemand. Want het ontkent de macht van iedere denkgeest om voor zijn externe omstandigheden te kiezen als een manier om z’n individualiteit en speciaalheid te beschermen. En het ontkent de macht van iedere denkgeest om een andere keuze te maken: voor genezing en heelheid (T16.I.1-2). Dit is wat we allemaal blijven doen tot we eindelijk bereid zijn om te vragen of er een andere manier is, die niets te maken heeft met het veranderen van de wereld en alles te maken heeft met het veranderen van onze eigen denkgeest.

Evenzo is het een misvatting om Jezus' bedoeling met “Want Zij zijn gekomen” (T26.IX) te interpreteren alsof hij zou spreken over wat lichamen met elkaar doen. Hij refereert aan een verandering in waarneming, die plaatsvindt in de denkgeest, wat vervolgens al dan niet in daden uitgedrukt kan worden. Jazeker, hij spreekt over “niemand op aarde die niet dankzegt aan iemand die hem zijn thuis heeft teruggegeven, en hem onderdak verschafte tegen de bittere winter en de ijzige kou” (T26.IX.7:3), maar alleen om aan te geven hoeveel dankbaarder we zullen zijn als we ons ware Thuis hebben teruggekregen.

Heeft Jezus nu werkelijk de wonderen verricht die in de evangeliën worden beschreven? Het is belangrijk in gedachten te houden dat de evangelieschrijvers hun verslagen schreven om te demonstreren dat Jezus speciaal was, anders dan ieder ander, goddelijk (veel Bijbelse geleerden geloven dat ze geen ooggetuigen van zijn leven waren). Als personen in de aanwezigheid van Jezus' liefde genezing ervoeren, lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat het gebeurde op de magische manier die in de evangeliën wordt beschreven. Veeleer hebben zij de schuld in hun denkgeest losgelaten omdat ze herinnerd werden aan de liefde die in hen was. Die schuld hadden ze niet langer nodig om de projectie, in de vorm van hun symptomen, te handhaven. (H5.II.2).

Jezus’ mededogen was niet met het lijdende en kreupele lichaam dat de ogen zien, maar met de lijdende en kreupele denkgeest, die ervoor koos te geloven dat ziekte en pijn op de een of anderen manier nodig waren voor verlossing. Het is niet verwonderlijk dat zij die tweeduizend jaar geleden getuige waren van zijn mededogen, zijn boodschap verkeerd begrepen, en deze interpreteerden in termen van zorg voor en betrokkenheid bij hen die minder geluk hadden dan zijzelf, wat geloof in werkelijke verschillen versterkt. Want kijk maar eens hoe Jezus' studenten tegenwoordig zijn boodschap in de Cursus nog steeds verkeerd begrijpen, hoewel deze in veel directer en ondubbelzinniger taal wordt gegeven.