Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1198 Waar gaan we naartoe als we overlijden?

Ik wil graag weten waar we naartoe gaan als we overlijden. Ik weet dat het niet een ‘plaats’ is. Gaan we naar de Zalige Aanschouwing, of gaan we zo totaal op in eenheid dat we geen ‘gewaarzijn’ meer hebben van ons zelf, of gewaarzijn van enig ‘zelf’, zodat de Boeddhistische term van de Leegte geschikter is? Als er een God is, maar ik Hem niet op een of andere manier ‘ken’ na de dood, dan is het bijna alsof er geen God is, tenminste voor het kleine stipje dat ‘ik’ genoemd wordt. Verdwijnt de God tot wie ik gebeden heb samen met mij op het moment van mijn lichamelijke ontbinding, of duurt het deel van mij dat weet en bidt in de een of andere vorm voort?

Antwoord: Alle delen van de puzzel betreffende de dood worden beantwoord door de belangrijkste lering van Een cursus in wonderen: de Zoon van God is een denkgeest en niet een lichaam. Door de keuze zich te identificeren met de illusie van afscheiding, brengt de denkgeest het idee voort van een zelf, een wereld en een God Die hiermee in verband staat. Al deze begrippen zijn verzonnen om de afscheidingsgedachte te ondersteunen. Zonder deze gedachte hebben noch het leven zoals we dat kennen, noch de dood, enige betekenis. Het is deze gedachte die voorbij het ‘leven’ van het lichaam voortduurt, totdat de denkgeest de correctie van de Heilige Geest ten volle aanvaardt, waardoor het geloof in de afscheiding ongedaan wordt gemaakt. De denkgeest ontwaakt dan uit de droom van afscheiding tot het gewaarzijn van de eenheid met God, die nooit veranderde. Dit wordt niet tot stand gebracht door de dood, maar door vergeving van iedere schaduw van geloof in het egodenksysteem. Er gebeurt niets wanneer het lichaam sterft (zie de vragen V#068, V#175, V#187 en V#260). Feitelijk leren we in de Cursus dat er geen dood is (T27.VII.14), want: “Er is geen leven buiten de Hemel. Waar God leven heeft geschapen, daar moet leven zijn. In elke toestand die losstaat van de Hemel is leven een illusie. Op zijn best lijkt het op leven, op zijn slechtst op de dood. Toch zijn dat allebei oordelen over wat het leven niet is, even onjuist en even zinledig” (T23.II.19:1-5). We gaan dus nergens naartoe wanneer het lichaam sterft.

Wanneer de denkgeest de waarheid van zijn Identiteit als Gods Zoon aanvaardt, keert hij terug naar het gewaarzijn van wat nooit veranderd is. Het verwijderen van de blokkades van dit gewaarzijn is het genezingsdoel van de Cursus, en dit is onze enige zorg. De denkgeest kan niet zien of begrijpen wat hij vreest. Zolang er angst blijft, is wat voorbij het lichaam en de wereld ligt onbegrijpelijk. Zoals we lezen in de introductie van de Cursus, kan liefde niet onderwezen worden (T.In.1:6); noch kan het worden begrepen. Maar het is wel mogelijk, en zelfs essentieel voor ons ontwaken, dat we de opzettelijke keuze van de denkgeest tegen de liefde en de verwoestende gevolgen ervan in onze ervaring, zien en begrijpen. Daarom moedigt Jezus ons in de Cursus herhaaldelijk aan om te kijken naar hoe het egodenksysteem in ons leven te werk gaat, en naar de pijnlijke gevolgen ervan te kijken. Vergeving is het wonder dat de aandacht verschuift van uiterlijkheden (vorm) naar de denkgeest (inhoud). Alleen door dát te doen kan de denkgeest zich zijn identiteit als denkgeest herinneren, terwijl het zich geleidelijk aan dissociëert van zijn identificatie met het lichaam. Vragen over het schijnbare leven en de schijnbare dood van het lichaam verdwijnen, wanneer de denkgeest terugkeert tot het gewaarzijn van zichzelf als de Zoon die de Vader nooit verlaten heeft.