Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1189 Hoe zou ons bestaan in de juist gerichte denkgeest eruit zien?

Heb je enig idee wat wij in de juist gerichte denkgeest zullen doen als we geen gebrek, geen lichaam en geen zintuigen hebben? Het is moeilijk om je een leven voor te stellen zonder plezier, doelen en prestaties. Wat gaan we dan doen? En waarmee, aangezien we geen lichaam hebben? Zullen we een onvergankelijk lichaam hebben? En als we geen lichaam hebben, zijn we dan nog steeds in staat om aan te raken, te voelen, te lachen, te spelen enz.?

Antwoord: Er is geen reden voor bezorgdheid. Wanneer de denkgeest van het Zoonschap volkomen genezen is en terugkeert tot de volledige aanvaarding van zijn eenheid met God, zal hij geen ander gewaarzijn hebben dan die van de Liefde van de Vader. Dit is de toestand van zuiver geest en de enige werkelijkheid. Het is onnodig en onmogelijk deze toestand te begrijpen of te beschrijven vanuit het perspectief van de ongeheelde gespleten denkgeest. Wanneer de denkgeest ervoor kiest te geloven dat afscheiding van God mogelijk is, identificeert hij zich tevens met het lichaam en vergeet helemaal dat hij een denkgeest is met de macht om te kiezen. Dat verklaart waarom het zo wezensvreemd, en zelfs ongewenst, lijkt om enigerlei ervaring te overwegen waar niet op een of andere manier het lichamelijke, psychologische of emotionele lichaam bij betrokken is: “Je kunt niet eens denken aan God zonder een lichaam, of in een andere vorm die je denkt te herkennen” (T18.VIII.1:7).

In de tussentijd is het meer directe doel van Een cursus in wonderen te leren ons te identificeren met de denkgeest die we vergeten hadden, door middel van het proces van vergeving. Omdat de weerstand groot is en de gehechtheid van de denkgeest aan de lichamelijke identiteit intens, is het proces zachtaardig en geleidelijk. Het vereist alleen maar de bereidheid te gaan herkennen dat de ervaringen in iemands leven projecties zijn van de keuze van de denkgeest om ofwel de leugen van het ego over afscheiding te geloven, ofwel de herinnering aan Gods Liefde van de Heilige Geest. Het fundament van het egodenksysteem is het geloof dat iets van buiten de denkgeest er effect op kan hebben. Dan wordt alles vanuit dit gezichtspunt waargenomen en beoordeeld, en gebruikt om te bewijzen dat de wereld werkelijk is en de afscheiding een feit. Anderzijds is de Heilige Geest gekomen om ons te onderwijzen dat niets van buiten de denkgeest er effect op heeft, omdat er buiten de denkgeest niets is. Om dit te leren “dien je bereid te zijn iedere waarde die jij eropna houdt in twijfel te trekken” (T24.In.2:1). “Iedere waarde” refereert aan alle dingen die worden geassocieerd met het lichaam en het egodenksysteem weerspiegelen: plezier, prestaties, gevoelens, spelen enz. Deze dingen zijn allemaal vervangingen voor de vrede van God die werd opgegeven toen de denkgeest het ego verkoos. Het zijn dekmantels voor de intense pijn die uit de keuze voor afscheiding voortvloeit. De denkgeest is zo verward geworden over zijn identiteit dat hij niet langer in staat is onderscheid te maken tussen plezier en pijn, noch is hij zich bewust van wat hij werkelijk wil: “Vraag dan ook niet aan jezelf wat jij nodig hebt, want dat weet je niet, en eigenraad doet pijn. Want wat jij nodig meent te hebben [alles wat jij denkt dat plezierig en belangrijk is] zal alleen dienen om jouw wereld af te schermen tegen het licht, en jou onwillig maken om de waarde die deze wereld werkelijk voor je bevatten kan in twijfel te trekken” (T13.VII.11:5,6).

De enige waarde die de wereld heeft, is als klaslokaal voor het leren van de lessen van de Heilige Geest, belichaamd in vergeving. Totdat de denkgeest volkomen genezen is en ieder genoegen, doel of prestatie van de wereld van geen belang is, is vergeving onze enige zorg. De ongenezen denkgeest kan veel beter met het proces van genezing bezig zijn, dan met de volmaakte Eenheid die ver voorbij zijn bevattingsmogelijkheid ligt. Angst voor de volmaakte Liefde die de Vader met Zijn Zoon deelt, houdt de ervaring ervan tegen en doet die niet alleen onaantrekkelijk lijken, zoals jij aangaf, maar angstaanjagend. En dus gaat er een “vriendelijker droom”, verkregen door vergeving, aan het volledig ontwaken vooraf: “dat hij [Gods Zoon] niet zonder angstzweet en een doodskreet tot de werkelijkheid zou kunnen ontwaken, als niet een vriendelijker droom zijn ontwaken voorafging en ervoor zorgde dat zijn gekalmeerde denkgeest de Stem verwelkomde en niet vreesde, die met liefde roept om hem te doen ontwaken; een vriendelijker droom waarin zijn lijden is genezen en zijn broeder zijn vriend is. God heeft gewild dat hij zachtjes en van vreugde vervuld wakker wordt, en hem het middel geschonken om zonder angst te ontwaken” (T27.VII.13:4,5). Laten we het middel (vergeving) dat ons gegeven is gebruiken, opdat we mogen leren dat liefde geen wezensvreemde toestand is, maar ons thuis.