Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1180 Over het begrip ‘zonde’

Buiten de kerken en de Bijbel heeft het concept zonde bijna geen plaats. Het is voor veel mensen een onduidelijk begrip. De betekenis van zonde in Een cursus in wonderen begrijp ik enigszins, maar ik heb er moeite mee om het toe te passen of om de illusie in mijn denkgeest ongedaan te maken. Ik zie geen zondaars en zonden; toch ervaar ik lijden. Ik kan niet geloven dat ik God vermoord heb, en vind dat denkbeeld compleet belachelijk en krankzinnig. Het idee dat ik een wereld apart van God gemaakt heb geeft mij het gevoel dat ik een zeer dwaze vergissing heb begaan. En ik kan me voorstellen dat ik mezelf in deze illusie van een wereld ben kwijtgeraakt. Ik ben God dankbaar voor de Heilige Geest en voor het onderricht van Jezus om mij en mijn broeders te helpen uit deze ingewikkelde knoeiboel te komen! Niet de straf van God jaagt me angst aan, maar de gevolgen van mijn keuze om in een wereld zonder God te geloven. Door deze keuze heb ik een nachtmerrie gemaakt die me opgesloten lijkt te hebben, net zoals in een psychedelische slechte trip. Ontken ik iets omdat ik geen aansluiting kan vinden met het begrip zonde? Is zonde een echt archetypisch concept op de achtergrond van ieders denkgeest, zelfs van een Tibetaanse Boeddhist? Is het onszelf beschuldigen vanwege de afscheiding hetzelfde als zeggen dat we zondaars zijn?

Antwoord: Er zijn veel mensen zowel in het Oosten als het Westen die geen aansluiting kunnen vinden met het begrip zonde. Maar er is een andere manier om te beschrijven wat Een cursus in wonderen met zonde bedoelt, waarbij praktisch iedereen zich kan aansluiten en dat is het idee van egoïsme of egocentrisme. Het zou echt moeilijk zijn iemand te vinden die nooit egoïstisch is geweest in de zin van in beslag genomen worden door het bevredigen van zijn eigen behoeften ten koste van iemand anders – niet werkelijk geven om de behoeften van iemand anders, zolang maar tegemoet wordt gekomen aan die van jezelf. We weten allemaal wat eigenbelang betekent, en hoe vaak we situaties en relaties uitsluitend op waarde schatten in termen van hun uitwerking op ons – bijvoorbeeld het wat-levert-het mij-op syndroom – eerst aan onszelf denken en het lijden of de nood die ons niet direct beïnvloedt negeren. (Maar de Cursus is in deze niet naïef; hij suggereert wel degelijk dat we letten op iedere behoefte, dichtbij of veraf.) Dit soort denken doordringt relaties op alle niveaus: internationaal, nationaal, zakelijk, op sportgebied, met familie, inter-persoonlijk, enzovoort. Het is universeel omdat het bij wijze van spreken het DNA is van het ego, het fundament van zijn gedachtesysteem.

Wij allen hebben ons als één Zoon van God afgescheiden, leert de Cursus, en daarom geeft dit idee richting aan het denken van ieder afzonderlijk persoon wiens denkgeest niet vrij van ego is. Afscheiding van God betekent afscheiding van eenheid, dus ongeacht hoe we de motivatie voor het verlaten van de eenheid beschrijven, het zal altijd iets te maken hebben met de wens autonoom en speciaal te zijn. Dat gaat gepaard met een afschuw voor vereniging of eenheid, want eenheid verdraagt geen individueel bestaan. We willen ons zo ver mogelijk houden van ongedifferentieerde eenheid (Hemel), en we vrezen intens onze verdwijning in het Hart van God, zoals de Cursus dat beschrijft (WdII.14.5:5).

Hierdoor moet er bij ons allemaal diep in onze denkgeest een vreselijk conflict bestaan, goed verborgen voor ons bewuste gewaarzijn. We weten dat wij opzettelijk onze Bron en onze ware Identiteit hebben verlaten om een identiteit te vormen die ons meer bevalt (een daad van opperst egoïsme). Dit betekent dat wij God en Zijn schepping uit onze denkgeest verbannen hebben en een geheel nieuwe manier van bestaan hebben opgezet, die vervolgens vereiste dat wij de werkelijke oorsprong van ons bestaan verbergen, daar we niet met de identiteit ‘verbanner-van-liefde-en-God’ willen rondlopen. Lagen van misleiding en verdedigingen werden toen noodzakelijk om de misleiding te beschermen en om te gaan met het zelf-verwijt over het doen van iets wat wij (de ene Zoon) als een aanval zagen. Het daaruit voortvloeiende gevoel dat we op frauduleuze wijze bestaan moest ook worden opgelost. Deze hele dynamiek is betrokken bij wat de Cursus zonde noemt, hoewel je die op religie gebaseerde term niet hoeft te gebruiken.

Wat jij lijkt te bespeuren is de zelf-haat om wat duidelijk een slechte keuze met afgrijselijke gevolgen was. Nogmaals, terwijl het niet noodzakelijk is dat je zondaars en zonde ziet, is het verschrikkelijk moeilijk om het alom heersend egoïsme en egocentrisme in de wereld niet te zien en de negatieve gevolgen daarvan. De verwachting van vergelding gaat vrijwel altijd samen met de ervaring van schuld, maar die hoeft niet op God gericht te zijn – het kan eenvoudig een algemeen gevoel zijn dat je straf verdient voor wat je anderen en jezelf hebt aangedaan. Misschien ligt dit onder je gevoel van angst voor ‘de gevolgen van de keuze om in een wereld zonder God te leven’. Als je dit werkelijk als simpelweg een verkeerde keuze zou aanvaarden, zou je gewoon je vergissing kunnen toegeven en vervolgens de juiste keuze maken. Wat inderdaad het doel is dat Jezus ons helpt bereiken. Maar omdat je niet in staat was van gedachten te veranderen, moet er iets anders in je denkgeest zijn dat er tussen staat en dat jou belet om de juiste keuze te maken. De Cursus stelt dat vast als angst voor verlies, en angst om op de een of andere manier de prijs te moeten betalen voor wat we hebben gedaan. We voelen ons hier beslist opgesloten als dat onze enige opties waren, en het ego heeft ons ervan overtuigd dat dat het geval is. In paragraaf (T13.III) in het Tekstboek, getiteld “De angst voor verlossing”, staat dat Jezus ons helpt om deze dynamiek te begrijpen en hoe hij ons kan helpen haar ongedaan te maken.