Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1179 Verwijst de term “Zoon van God” naar ons?

Ik lees de term Gods Zoon, heeft dat ook op ons betrekking? Want sommige uitspraken in Een cursus in wonderen met betrekking tot de Zoon van God vind ik verwarrend.

Antwoord: Je vraag raakt de kern van het afscheidingsdilemma: identiteitsverwarring. In werkelijkheid is er alleen de Eenheid van God en Zijn Zoon, in de Verklarende Woordenlijst gedefinieerd als de tweede Persoon van de Drie-eenheid. Dit is onze ware Identiteit/ware Zelf, in de Cursus altijd als Gods Zoon of de Zoon van God aangeduid. Deze Identiteit blijft door het “nietig dwaas idee” van afscheiding, dat de denkgeest van Gods Zoon binnensloop, onveranderd. De verwarring begint wanneer de denkgeest besluit te geloven dat dit krankzinnige idee waar is. Dan lijkt er een zoon/zelf te zijn die van de Vader gescheiden is, opgedeeld in ontelbare individuele identiteiten die we ‘ons’ noemen. Fragmentatie is dus de essentie van afscheiding – ieder deel is onderscheiden van het volgende. De denkgeest is nu gespleten tussen de identiteit van afscheiding (het ego), en die van de herinnering (de Heilige Geest) van zijn eenheid met de Vader: “In een gespleten denkgeest kan de identiteit niet anders dan verdeeld lijken” (T27.II.11:1).

In de Cursus spreekt Jezus tot de gespleten denkgeest van de afgescheiden Zoon die niet langer weet wie hij is, omdat hij zich met een lichaam heeft geïdentificeerd en ogenschijnlijk bestaat in een wereld van vorm. Heel vroeg in het Tekstboek verkondigt Jezus de belijdenis van de afscheiding, waarbij hij zich tot deze gespleten denkgeest richt: “[…] je gelooft dat wat God geschapen heeft, door jouw eigen denkgeest kan worden veranderd. […] je gelooft dat wat volmaakt is, onvolmaakt of gebrekkig kan worden gemaakt. […] je gelooft dat je de scheppingen van God, jouzelf inbegrepen, kunt misvormen. […] je gelooft dat jij jezelf kunt scheppen en dat de richting van je eigen schepping door jou wordt bepaald” (T2.I.1:9-12). Hier verwijst de term ‘jij’ naar iedereen die zich met de afscheidingsgedachte identificeert (de meesten van ons, meestal). In de Cursus vinden we ook veel passages waarin Jezus over onze ware Identiteit spreekt: “[…] Gods Zoon is schuldeloos” (T14.V.2:1), “Gods Zoon is Een” (T17.III.7:2), “Gods Zoon is volmaakt, anders kan hij Gods Zoon niet zijn” (T30.VI.9:1), “Jij staat in het licht, sterk in de zondeloosheid waarin je werd geschapen en waarin je zult blijven tot in alle eeuwigheid” (WdI.94.2:6). In deze passages verwijst de ‘jij’ naar het ware Zelf dat een is met God en geen weet heeft van gescheiden delen of een gespleten denkgeest. In beide gevallen verwijst de ‘jij’ naar Gods Zoon, want er is niemand anders. Het is belangrijk om dit onderscheid te begrijpen; anders wordt identiteitsverwarring vermengd met het geloof dat Jezus zich tot het lichaam/de figuur in de droom richt. Dat is nooit het geval.

Het is een van de belangrijke doelen van de Cursus om de verwarde gescheiden Zoon van God te leren dat hij niet een zelf, maar een Zelf is. “Je doel is te ontdekken wie jij bent, omdat jij je Identiteit verloochend hebt door de schepping en haar Schepper aan te vallen. Nu leer jij hoe je je de waarheid weer kunt herinneren” (WdI.62.2:3-4). Dit proces houdt tevens in, te leren onderscheiden wanneer Jezus tot het zelf spreekt en wanneer hij ons aan ons ware Zelf herinnert. Het is een belangrijk proces waarin je je geleidelijk aan minder met het lichaam gaat identificeren opdat je je met de gespleten denkgeest gaat identificeren, en uiteindelijk met de juist gerichte denkgeest die het Zelf weerspiegelt. De eerste stap is om zorgvuldige aandacht te geven aan de onvrede en conflicten, groot en klein, die zich dagelijks voordoen. Zij weerspiegelen de keuze van de denkgeest om zijn identiteit als denkgeest/Gods Zoon te ontkennen, en zich in plaats daarvan met het lichaam te identificeren. Bereidwilligheid om die simpele erkenning te doen, identificeert het probleem bij de bron ervan (de denkgeest), waar de correctie kan worden gevonden. Daardoor wordt de denkgeest eraan herinnerd dat hij de macht heeft om te kiezen. Dit is een heel belangrijke stap in de terugkeer van de denkgeest naar de erkenning van zijn Identiteit als Gods Zoon. In de ogenschijnlijke droom van afscheiding verenigt de macht om te kiezen de Zoon met de creatieve macht die hij deelt met de Vader. Elke stap in het kiezen brengt de Zoon dichter bij de volledige aanvaarding van zijn Identiteit, en zal uiteindelijk alle geloof in de wezensvreemde identiteit van een gescheiden zelf ongedaan maken. Dan zal het ultieme antwoord op de identiteitscrisis waar klinken: “Jij bent Gods Zoon” (WdI.199.8:1).