Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1164 Ik vind het lastig precies te begrijpen wie mijn broeder is

Ik vind het lastig vast te stellen wie mijn broeder is. Ik weet dat je geacht wordt je broeder lief te hebben als jezelf, ongeacht wie hij is. Ik ben nu bij hoofdstuk 25 en raak in verwarring over wie mijn broeder is. Ben ik het zelf? Ik weet dat dit belachelijk klinkt, maar ik weet het echt niet.

Antwoord: De bron van het stoffelijke universum, inclusief alle lichamen die het bevat, is de gedachte van afscheiding die in de ene denkgeest van het Zoonschap serieus genomen wordt. Deze gedachte brengt de broederschap van alle afgescheidenen voort. Binnen de droom van afscheiding lijkt een groot aantal afzonderlijke lichamen te bestaan die een eigen leven leiden. Een cursus in wonderen verwijst naar ieder van hen als ‘jouw broeder’ omdat ze afgesplitste delen van de ene denkgeest zijn. Dat wordt bedoeld wanneer Jezus ons zegt: “Eén broeder is alle broeders. Elke denkgeest omvat alle denkgeesten, want elke denkgeest is één. Dat is de waarheid” (WdI.161.4:1-3). Op deze manier is iedereen jouw broeder. Alles wat de Cursus over het toepassen van vergeving in relatie tot ‘jouw broeder’ onderwijst geldt voor iedereen. Zolang de gespleten denkgeest andere lichamen als gescheiden van zichzelf waarneemt, is er vergeving nodig. De beoefening van vergeving wordt vereenvoudigd door zijn universele toepasbaarheid. Iedere ontmoeting is een gelegenheid de keuze van de denkgeest voor afscheiding te zien, weerspiegeld in de gedachten en oordelen die we op anderen projecteren. In het Handboek laat Jezus ons weten dat er geen toevalligheden zijn, geen toevallige ontmoeting, geen vreemden (H3.1,2). Je broeder is diegene waarmee je op een bepaald moment samen bent: “[een vreemde] in een lift, een kind dat niet uitkijkt waar het loopt en daardoor ‘toevallig’ tegen een volwassene aanrent, twee studenten die ‘zomaar’ samen oplopen naar huis” (H3.2:2).

Een broeder liefhebben die een ogenschijnlijke vreemde is, is onderkennen dat ieder waargenomen verschil irrelevant is in het zicht van de onderliggende eenheid die alle gefragmenteerde delen van het Zoonschap verenigt. Iedere broeder heeft een denkgeest die de leugen van afscheiding van het ego, de herinnering van de waarheid van de Heilige Geest, en de macht om tussen die twee te kiezen bevat. Een broeder als jezelf liefhebben, is onderkennen dat hem als afgescheiden waarnemen een projectie van de denkgeest is. Wanneer de denkgeest voor afscheiding kiest, projecteert het de schuld voor deze keuze op het lichaam – dat van jezelf evenals dat van anderen – en gelooft vervolgens ten onrechte dat externe factoren verantwoordelijk zijn voor wat er in die illusie ervaren wordt. In de beoefening van de Cursus is een broeder liefhebben dus: hem vergeven voor wat hij niet heeft gedaan (T17.III.1:5). Hij mag dan op een hatelijke en kwetsende manier aanvallen, maar hij kan de vrede die in de denkgeest heerst niet wegnemen. Daarvan wordt alleen afstand gedaan door de keuze van de denkgeest zich met het ego te identificeren in plaats van met de Heilige Geest.

Spreken van afzonderlijke delen is spreken in dualistische termen die binnen de droom van afscheiding van toepassing zijn. In werkelijkheid zijn er geen ‘broeders’; maar is er slechts de ene Zoon met de Vader verenigd in een eenheid die niet uitgedrukt kan worden in taal van afscheiding. Jezus gebruikt in de Cursus dualistische taal omdat wij in de dualiteit van afscheiding geloven. Hij onderwijst vergeving opdat we dit geloof ongedaan kunnen maken door te leren dat wij denkgeest zijn, geen lichaam. Te dien einde zegt Jezus ons: “Denk [aan je broeder] als aan een denkgeest waarin illusies nog wel standhouden, maar niettemin een denkgeest die een broeder voor jou is. Hij is niet tot broeder gemaakt door wat hij droomt, noch is zijn lichaam, de ‘held’ van de droom, jouw broeder. Het is zijn werkelijkheid die jouw broeder is, zoals de jouwe dat is voor hem. Jouw denkgeest en de zijne zijn in broederschap verbonden” (T28.IV.3:3-6). Het proces van leren dat wij als denkgeest allemaal hetzelfde zijn zal tot het bewustzijn leiden dat we allen één zijn.