Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1135 Wanneer ik probeer anderen te helpen word ik afgewezen

Ik hoop dat je me kunt helpen met een reactie op een innerlijk dilemma van mij, als ik met de Heilige Geest oefen om leraar van God te worden. Jezus zelf zegt in de Aanvullingen m.n. in Psychotherapie dat er in deze wereld niets heiligers of nobelers is, dan een broeder die om hulp vraagt te helpen. Voor mij is dit inspirerend en het voelt goed te leren boodschapper te zijn voor de Heilige Geest. Maar mijn dilemma is dat anderen mij niet altijd op dezelfde manier zien als ik. Bijvoorbeeld, als een vriend om hulp vraagt zie ik dat als een kans om te onderwijzen en te leren. Ik heb dan een goede dunk van mezelf en ik denk dat deze Zelf-verheerlijking uit grootsheid voortkomt en niet uit grootheidswaan. Maar soms ziet die ander dat niet op deze manier en ziet in plaats daarvan mijn ‘vriendelijkheid als zwakte’ – alsof ik bijvoorbeeld niets beters te doen heb dan hen met hun probleem te helpen! Ik vermoed dat ik me ondergewaardeerd en in de war voel omdat ik wellicht niet de wereldse kwalificaties heb die andere leraren van God wel hebben, maar ik weet dat ik veel te bieden heb. Maar anderen beoordelen mij alleen op mijn wereldse kwalificaties en status. Waarom zou de Heilige Geest mij in een situatie brengen waarin ik zijn boodschapper kan zijn, alleen om te ontdekken dat die andere persoon mij ziet als iemand die hun goedkeuring of zoiets nodig heeft? Denk je dat dit een patroon is waaruit ik een of andere onbewuste beloning of bedoeling put?

Antwoord: Je bent verstrikt geraakt in een veel voorkomende verwarring. Je denkt dat Jezus het heeft over dingen doen voor anderen, wanneer hij spreekt over het helpen van onze broeder. De zinsnede uit Psychotherapie waar je naar verwijst zegt: “Niets ter wereld is heiliger dan iemand te helpen die om hulp vraagt” (P2.V.4:2). Zolang we nog denken dat wij een lichaam zijn, zullen we zulke verklaringen op het niveau van het lichaam interpreteren en denken, zoals jij deed, dat we de aanwijzing krijgen om anderen die een of andere behoefte aan specifieke hulp hebben te hulp te komen. Met dit doen is niets mis, maar het is niet wat Jezus met deze zinsnede bedoelt. En als we denken dat we van de Heilige Geest de aanwijzing krijgen om op het niveau van gedrag anderen onze hulp te bieden, kunnen we wel eens heel verbaasd zijn over hun reacties, zoals jij hebt gemerkt. Ongeacht wat wij als onze beste bedoelingen zien, betekent het meestal dat ons ego zich bij de relatie heeft gevoegd. En andere ego’s kunnen zeer snel zijn in hun reactie op die van ons! Want wij zien anderen als behoeftig en denken dat wij iets hebben wat zij nodig hebben, zelfs als we geloven dat de Heilige Geest de Bron is die ons hierin leidt. En dit maakt verschillen – en afscheiding – heel reëel.

“Vertrouw niet op je goede voornemens. Die zijn niet genoeg” (T18.IV.2:1,2) is Jezus’ waarschuwing aan ons, wanneer wij denken te weten wat we in een bepaalde situatie moeten doen. En eerder in het Tekstboek adviseert Jezus: “Doe geen poging een broeder op jouw manier te ‘helpen’, want je kunt jezelf niet helpen. Maar hoor zijn roep om Gods Hulp, en je zult je eigen behoefte aan de Vader inzien.” (T12.I.6:10,11)

Bij het in praktijk brengen van Een cursus in wonderen is het misschien heel goed om in gedachten te houden, dat de Cursus nooit over gedrag spreekt. Jezus vraagt niet onze aandacht en inspanningen te richten op wat we doen als lichaam voor andere lichamen. Want Jezus spreekt ons niet aan als het lichaam dat we denken te zijn, hij spreekt tot ons als denkgeest. In de loop der tijd, als je dit diepere niveau waarop de Cursus is geschreven gaat herkennen, zul je verbaasd zijn hoeveel zinsneden en passages die je dacht te begrijpen, nu een geheel nieuwe betekenis krijgen. En hoeveel van de passages waar je eerst overheen las omdat je niet begreep wat er stond, nu zeer betekenisvol worden. Toch is dit de ervaring van de meeste studenten die zich met een open denkgeest aan de studie van de Cursus wijden. Zij erkennen dat er nog veel is waarvoor ze niet klaar zijn om het te begrijpen, maar wat ze zullen gaan begrijpen naarmate hun eigen beoefening van vergeving zich verdiept. Dit gebeurt wanneer ze eerst hun eigen schuld en angst gaan herkennen en deze vervolgens loslaten.

Kijk bijvoorbeeld eens naar de zinnen die een paar alinea’s verderop staan in dezelfde paragraaf als de bovenstaande zin over helpen. Die zetten deze zin in een heel ander licht, omdat ze het idee ontkennen dat er enige behoefte is aan hulp of genezing, waaraan Jezus in deze context refereert. Want ze maken duidelijk wat de ware aard van hulp is – vergeving van jezelf voor alle valse zelf-beschuldigingen – en ze stellen vast wie er werkelijk geholpen wordt: alleen wijzelf. “We zijn al misleid als we denken dat er behoefte aan genezing is. En de waarheid zal alleen tot ons komen via iemand die onze droom van ziekte schijnbaar deelt. Laten we hem helpen zichzelf alle overtredingen te vergeven waarmee hij zich zonder enige reden veroordelen wil. Zijn genezing is de onze” (P2.V.7:4-7).

Met andere woorden: wij zijn altijd degenen die hulp nodig hebben – zolang we denken dat wij dit individuele zelf in deze wereld zijn – en onze broeder is simpelweg de spiegel die ons in staat stelt om naar binnen te kijken. En de enige hulp die wij een broeder kunnen bieden, is ons de keuze te herinneren die we altijd hebben: tot wie we ons in iedere situatie zullen wenden voor hulp – tot het ego of tot de Heilige Geest. Zoals Jezus eerder in het Tekstboek opmerkt: “De enige zinvolle bijdrage die de genezer kan leveren is een voorbeeld te zijn van iemand wiens richting voor hem veranderd werd, en die niet langer in enig soort nachtmerrie gelooft. Het licht in zijn denkgeest zal dan ook antwoord geven aan de vraagsteller, die niet anders kan dan met God besluiten dat er licht is omdat hij dat ziet” (T9.V.7:4-5). De kwestie van kwalificaties wordt dan irrelevant, want de hulp waartoe we uitgenodigd worden om aan onze broeder te geven, heeft niets met enige specifieke vorm te maken. In feite kan het zijn, dat onze broeder zich niet eens bewust is van de hulp die via ons geboden wordt, want misschien zeggen of doen we helemaal niets. Maar we herinneren ons de waarheid over onszelf en onze broeder – dat onze schuld niet werkelijk is. En dat is de enige hulp die ieder van ons ooit nodig heeft.