Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1107 Ik heb bedrog gepleegd tijdens een examen. Wat moet ik nu doen?

Ik heb besloten dit probleem aan de Heilige Geest te geven, er hier één keer een vraag over te stellen en het dan los te laten. Ik volg al een paar jaar een opleiding tot technicus radiologie en zal ergens in 2007 klaar zijn. Tijdens de scheikundeklas heb ik bedrog gepleegd tijdens een examen omdat ik veel te veel werk op me had genomen. Sindsdien zie ik in gedachten soms scènes over dood en fysieke pijn en lijden, dat ik veroorzaak, omdat ik me afvraag of ik misschien iets belangrijks heb gemist bij dat examen – iets dat schadelijk is voor iemands gezondheid. Ik heb het gevoel dat anderen gestraft zullen worden voor mijn luiheid. De gedachte komt bij me op dat ik het jaar over zou moeten doen zodat ik kan leren wat ik gemist heb en dan word ik snel bang. Ik denk dat wat ik gemist heb, nooit meer terug zal komen en voor altijd aan mij voorbij is gegaan. Wanneer ik dit aan de Heilige Geest geef, hoor ik een stem die me zegt: ‘Natuurlijk ben je nu in vrede, maar kijk naar de pijn die je zult veroorzaken. Bekommer je je niet om hun vrede?’ Een andere, vergelijkbare gedachte beschuldigt me er van dat ik mensen op verschillende manieren kwets. Ik heb bijvoorbeeld de waarheid wat aangedikt om mijn baan te krijgen en soms heb ik het gevoel dat ik de baan heb afgenomen van mensen die hem meer verdienen. Ik denk dat ik hen gekwetst heb, en dat moet goedmaken, misschien door mijn baan op te geven. Kun je me wat inzicht geven over deze angst vanuit het gezichtspunt van Een cursus in wonderen?

Antwoord: Voordat je je gedachten loslaat en ze aan de Heilige Geest geeft, kun je eerst nog iets doen dat heel behulpzaam is. En dat is jezelf afvragen welk doel je oneerlijke handelswijze en al je tegenstrijdige gedachten erover jou dient. Want het zijn niet zomaar achteloze daden of willekeurige gedachten, en evenmin worden de gedachten over je bedrog je tegen je wil opgedrongen – je hebt ze in feite allemaal om een bepaalde reden binnen genodigd. Je specifieke handelingen en het acute conflict dat daarop volgt maken allemaal deel uit van de nooit aflatende pogingen van het ego om je buiten je denkgeest te houden, dat wil zeggen dat je obsessief gefocust bent op schaduwproblemen en schuld, zodat je nooit in contact komt met wat erachter ligt – de schuld in de denkgeest die de bron is van hun projectie.

Deze situaties en hun angsten voor de toekomst staan symbool voor de diepere zelfbeschuldiging waar je jezelf niet naar laat kijken, en die we allemaal delen: dat we verantwoordelijk zijn voor lijden en dood omdat we tegen God en voor het ego hebben gekozen. Dit is trouwens een keuze die we elke minuut, elke dag van ons leven weer opnieuw maken (T14.III.4:1-2), tot we om een andere manier vragen. Want onbewust geloven we dat we God het leven dat rechtmatig van Hem is hebben afgetroggeld en dat we ons nu voordoen als onze eigen schepper, terwijl we diep van binnen heel goed weten dat alles één grote leugen is, dat we bedriegers zijn en er iets ontbreekt waarvoor wij verantwoordelijk zijn. En hoewel deze gedachten niet bewust zijn, kleuren ze wel onze interpretatie van al wat we in de wereld ervaren met gevoelens van schuld en ontoereikendheid waar geen echte oplossing voor lijkt te bestaan. Als we dit dan uitleven op een manier die dat negatief zelfbeeld lijkt te versterken, des te beter, want die schendingen lijken de reden te zijn waarom we ons voelen zoals we ons voelen, en we denken dat we niet verder hoeven zoeken om te begrijpen waarom we ons zo schuldig voelen. En die schuld kan nooit ongedaan worden gemaakt, want gedane zaken nemen geen keer, waardoor de mogelijk vernietigende gevolgen onomkeerbaar in gang worden gezet.

Toch is het goede nieuws dat er een antwoord is, maar niet in die zin dat er dingen in de wereld in orde worden gebracht, zoals verzoening door een offer te brengen voor wat we verkeerd hebben gedaan. Die handelingen versterken alleen maar de onderliggende gedachte dat onze schuld werkelijk is. Er is niet iets dat gedaan moet worden, maar veeleer iets dat ongedaan gemaakt moet worden: ons geloof dat onze onderliggende schuld werkelijk is en om straf vraagt. Nu zijn we niet in staat om zelf onze gedachten over onszelf te veranderen – voor ons is het allemaal heel ernstig, en er valt zeker niets te lachen. En dus moeten we ons tot Jezus of de Heilige Geest wenden en vragen of we ons bij hen kunnen aansluiten bij hun waarneming van de waarheid over ons. Want zij kijken voorbij aan de wolken van schuld die wij werkelijkheid hebben verleend en zien het licht van heiligheid dat altijd in onze denkgeest schijnt (T18.IX.8,9). En zij zullen ons helpen om te leren dat we niet kunnen kwetsen noch gekwetst kunnen worden (H4.IV.1:1-2). En dan zul je gaan glimlachen om de redenen waarom jij het nodig hebt gevonden om jezelf te beschermen door oneerlijk te zijn en bedrog te plegen, en zul je de dwaasheid gaan inzien van al je aanvalsgedachten en kwetsende gedachten, omdat je begint te begrijpen dat al je vergissingen geen enkel werkelijk effect hebben gehad op alles wat er echt toe doet.