Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1090 Waarom gaf God ons een vrije wil als hij niet wilde dat we het idee van afscheiding onderhouden?

Deze vraag is een variant op de oude en raadselachtige kwestie van de ‘vrije wil’. Aangezien God Christus heeft geschapen, heeft hij zijn Zoon uitgerust met het vermogen tot dat eerste ‘nietig dwaas idee’ dat tot de afscheiding leidde. Dus zelfs al verzekert de Cursus liefdevol dat God geen enkel verlangen heeft zijn Zoon af te wijzen of te straffen, het lijkt er toch op dat God Christus misleid heeft, want hoe kon Zijn Zoon de verleiding weerstaan om uit te vinden hoe het was om de waarheid te vervangen door illusie? Waarom zou God Christus scheppen met het vermogen deze vergissing te begaan, terwijl Hij heel goed weet dat Zijn Zoon niet in staat is de verleiding te weerstaan?

Antwoord: Je vraag is een variant op de veel gestelde vraag: ‘Hoe kon de afscheiding plaats vinden?’ De vraagt berust op de verklaring dat de afscheiding daadwerkelijk heeft plaats gevonden, wat een uitdrukking is van de keuze daarvoor. De afscheiding bevestigen is de manier waarop het ego zijn ‘werkelijkheid’ vaststelt. Ze wordt gekozen als substituut voor de werkelijkheid, waarna de Zoon van God er vandoor gaat, met het ego onder de arm, er zeker van dat hij het onmogelijke heeft laten gebeuren, en ervan overtuigd dat God hem achterna zit om hem te straffen voor zijn ‘zonde’ en tegelijkertijd Hem de schuld gevend omdat Hij dit heeft laten gebeuren. Dit is de knappe, maar niettemin illusoire versie van het ego van de ‘big bang’ die nooit heeft plaats gevonden.

De behulpzame uitleg die Jezus geeft voor de niet-bestaande ‘big bang’ is dat de Zoon van God in slaap is gevallen en van afscheiding droomt (T28.II.7). In deze droom lijkt de Zoon speciale krachten te hebben in de vorm van een wil die losstaat van die van God; net als een kind thuis in bed droomt dat hij de zoon van een koning is (of meer in overeenstemming met de speciaalheid van het ego: de koning zelf) in een verafgelegen magisch koninkrijk. In de droom is speciaalheid te verkiezen boven de eenheid, en ‘vrije wil’ is de maximale uitdrukking van individuele macht. Het is een knappe verdraaiing van de macht van de denkgeest om ervoor te kiezen de ene Wil die de Zoon met de Vader deelt, te aanvaarden. In dit licht wordt vrije wil begrepen als het vermogen om die keuze te maken. Het is geen keuze tussen twee werkelijke mogelijkheden, maar eerder een keuze tussen waarheid en illusie, alles of niets. Er is geen andere werkelijkheid dan die van God, geen andere Wil dan de Zijne, niets anders dan de macht van de denkgeest om de waarheid te aanvaarden. Het deel van de denkgeest dat tegen de waarheid kiest en zich profileert als een figuur in de droom verdedigt zijn ‘waarheid’ door middel van het raadsel dat God de afscheiding een werkelijke en onweerstaanbare keuze maakt. Alleen weerstand tegen het aanvaarden van de waarheid houdt de afscheiding werkelijk in onze ervaring, doet de intrige ontvlammen om de vraag te stellen waarop geen antwoord is, en blaast leven in het geloof van het ego in illusie. De uitweg uit dit ogenschijnlijke dilemma is leren dat de enige verleiding die we uiteindelijk niet kunnen weerstaan het aanvaarden is van de Identiteit die God ons heeft gegeven en het opeisen van onze rechtmatige plaats in de eenheid met Hem. Dan verbinden we ons vrijelijk met de ene Wil die we met onze Vader delen: “En dit is de functie van Gods leraren: geen enkele wil als gescheiden te zien van die van hen, noch die van hen als gescheiden van die van God” (H5.III.3:9).

Zie ook de vragen V#010, V#027, V#088, #100, V#148 en V#171.