Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1037 Ik voel me alleen en gefrustreerd omdat anderen geen deel uitmaken van mijn reis

Jaren geleden heb ik een ervaring gehad waarvan ik denk dat het een ‘staaltje’ is van Gods Liefde. Het was zo overweldigend dat het niet te beschrijven valt. Sindsdien heb ik mijn leven de revue laten passeren en iedere relatie, zowel de pijnlijke als de vreugdevolle, opnieuw ervaren en beoordeeld. Ik begrijp zoveel, en ik verlang nog steeds dat ‘gevoel’ opnieuw te beleven. Ik vind het moeilijk om mijn terugreis naar de Hemel te delen met degenen met wie ik in contact kom. Sommigen geloven mij, maar twijfelen aan mijn gezonde verstand; anderen negeren me; sommigen willen me wel geloven maar zijn bang voor verandering; velen begrijpen mij en mijn bedoelingen verkeerd. Ik voel me net als Jezus in zijn tijd. Was hij niet alleen en gefrustreerd? Hoe kan ik al onze wonden helpen genezen, als anderen geen hulp lijken te willen, en elke suggestie dat ze hulp nodig hebben, van de hand wijzen?

Antwoord: De beste manier om anderen in je leven tot hulp te zijn, is in je eigen denkgeest waakzaam te blijven voor alles wat hen van jou gescheiden houdt, en er dan op te vertrouwen dat wanneer ze er klaar voor zijn, ze hun ego los zullen laten en hun ware Identiteit weer in hun gewaarzijn toelaten. Het zou kunnen dat jij de verschillen tussen je vrienden en jou versterkt door je aandacht op hun ‘wonden’ te richten, in plaats van je te vereenzelvigen met de macht van hun denkgeest om voor hun ego te kiezen, én die keuze te respecteren. Als jij je met de macht van hun denkgeest vereenzelvigt en hun keuze voor het ego respecteert, is dat een doeltreffende manier om je in je denkgeest met hen te verbinden, want het is een afspiegeling van je eigen proces, en de verschillen tussen jullie zullen dan wegebben. Op het ogenblik van die verbinding stroomt liefde gewoon door je heen en neemt de vorm aan die op dat moment het meest behulpzaam is. Het is niet nodig om nadrukkelijk de aandacht te vestigen op iemands wonden. De meeste mensen zullen je dat kwalijk nemen. Wanneer je je ego overstijgt, weet je dat dit net zo goed voor hen geldt: “Wanneer ik genezen word, word niet ik alleen genezen” (WdI.137).

Jezus was niet gefrustreerd en voelde zich ook nooit alleen – dat zijn gevolgen van het geloof dat je een lichaam bent, en Jezus wist dat hij geen lichaam was, ook al ging iedereen met hem om alsof dat wel zo was. De belangrijkste les die hij heeft onderwezen, en nog altijd onderwijst, is dat er in werkelijkheid niets is gebeurd dat ons van onze Vader scheidt. Wij denken enkel maar dat er iets is gebeurd. Door onze aandacht dus op iemands wonden te richten en die dan proberen te genezen, doen we precies wat hij wil dat we vermijden: de vergissing tot werkelijkheid maken. In de Cursus gebruikt hij de term ongenezen genezers voor degenen die de vergissing als werkelijk zien en die dan gaan corrigeren (T9.V). Net zoals in de instructies aan Helen, de persoon die Een cursus in wonderen optekende, dringt hij er bij ons op aan niet zelf te beslissen wie genezing nodig heeft en hoe we dat moeten aanpakken, maar hem te vragen welke wonderen we kunnen verrichten. Als onze eigen denkgeest niet genezen is – niet voor één ogenblik los is van het ego – dan is onze waarneming vervormd, en zijn we geen heldere en zuivere kanalen waar zijn genezende liefde doorheen kan vloeien.

Jezus vertegenwoordigde het Alternatief (H5.III.2:6). Hij herinnerde anderen eraan – louter door zijn aanwezigheid – dat ze heel en onschuldig zijn. Zijn niet-oordelende aanwezigheid volstond. Woorden waren niet nodig, en als er woorden waren, net als in deze cursus, zijn ze eenvoudig de vorm die liefde aanneemt voor degenen die te angstig zijn voor de rechtstreekse aanwezigheid van liefde zonder vorm. Hij vraagt ons dit te doen met de personen in ons leven: alleen maar de liefdevolle, niet-oordelende aanwezigheid zijn, die het Alternatief vertegenwoordigt. Denk aan de beschrijving die Jezus van vergeving geeft: “Vergeving … is stil en doet in alle rust niets. … Ze kijkt alleen, en wacht, en oordeelt niet (WdII.1.4:1,3).