Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1034 Waarom zou God toelaten dat we ongelukkige dromen hebben?

Waarom zou God een Zoon scheppen die in staat is ‘ongelukkige dromen’ te hebben? Heeft dit iets te maken met Gods wens dat Zijn Zoon een ‘vrije wil’ heeft? “Nader nooit het heilig ogenblik nadat jij geprobeerd hebt alle angst en haat uit je denkgeest te verwijderen. Dat is Zijn functie. Probeer nooit aan je schuld voorbij te zien voordat jij de hulp van de Heilige Geest hebt gevraagd. Dat is Zijn functie. Jouw aandeel bestaat er enkel in Hem een beetje bereidwilligheid te schenken om Hem alle angst en haat te laten wegnemen, en te worden vergeven” (T18.V.2:1-5). Betekent dit dat we niet eerst onszelf hoeven te vergeven voor we het heilige ogenblik naderen en dat we niet eerst onszelf hoeven te vergeven voor we de Heilige Geest om hulp vragen? Betekent dit dat we alleen maar onszelf een beetje hoeven open te stellen met ons “beetje bereidwilligheid” en dat de Heilige Geest voor de rest zal zorgen? En leert de Heilige Geest ons dan hoe we onszelf kunnen vergeven en daarna hoe we onze angstige dromen in “gelukkige dromen” kunnen veranderen op weg naar ontwaken?

Antwoord: Het eerste deel van je vraag wordt door ongeveer elke student van Een cursus in wonderen gesteld. Het is gebaseerd op een geloofssysteem dat ons zegt dat dromen werkelijk zijn, dat ze een ongelukkige invloed op de dromer hebben, en dat God de schuld moet krijgen van deze ellendige toestand. Dit geloofssysteem wordt door het hele Zoonschap gedeeld wanneer de afscheidingsgedachte eenmaal serieus wordt genomen. Het berust op de verklaring dat de afscheiding wel degelijk heeft plaatsgevonden en rampzalige gevolgen heeft gehad. Bovendien is God hier niet alleen verantwoordelijk voor, Hij doet er ook niets aan. Dit is het tragische afscheidingsverhaal van het ego. Wanneer de denkgeest er eenmaal voor kiest te geloven dat afscheiding mogelijk is, wordt de creatieve kracht die hij met zijn Bron deelt tot uitdrukking gebracht door de keuzemogelijkheid tussen afscheiding en Eenheid. Maar kiezen tussen wat werkelijk is (eenheid) en wat niet werkelijk is (afscheiding) is geen werkelijke keuze. Het is het ontkennen van het ene en het aanvaarden van het andere. Het ontkennen van de waarheid is wat de Cursus misbruik noemt van de creatieve kracht van de denkgeest, terwijl de vrije wil wordt gedefinieerd als de keuze voor de waarheid, of de ontkenning van de vergissing: “De ontkenning van de vergissing is een krachtige verdediging van de waarheid, maar het ontkennen van de waarheid mondt uit in miscreatie, de projecties van het ego. In dienst van het juiste denken maakt de ontkenning van de vergissing de denkgeest vrij en herstelt zij de vrijheid van de wil. Wanneer de wil werkelijk vrij is kan hij niet miscreëren, omdat hij alleen de waarheid ziet” (T2.II.2:5-7). De keuze voor de ongelukkige droom van het ego is dus het ontkennen van de vrije wil.

“God heeft geen weet van afscheiding” (P2.VII.1:11) en dus is Hij zich niet bewust van de ’keuze’ van Zijn Zoon of van enige wil die niet de Wil is die Hij met hem deelt. We kunnen evenmin van God zeggen dat hij iets voor Zijn Zoon wenst, want iets wensen houdt een behoefte in, of enig gevoel van gemis. In de niet-dualistische toestand van volmaakte eenheid, die God met Zijn Zoon deelt, is er geen behoefte of gemis van welke aard ook. Hij kent alleen volmaakte Eenheid, volmaakte Liefde, één Wil die hij met Zijn Zoon deelt. Dit is een door eenheid gekenmerkte staat die binnenin de droom van de dualiteit onmogelijk te begrijpen is. Zolang we nog geloven dat de afscheiding mogelijk is, komt de Cursus ons tegemoet waar we denken te zijn door onze schijnbare afgescheiden toestand te beschrijven als een droom die de Zoon heeft terwijl hij thuis verblijft bij Zijn Vader (T13.VII.17:7), die Zich niet bewust is van de nachtmerrie-achtige escapades en avonturen van de droom.

Je hebt volkomen gelijk: al wat van ons wordt gevraagd is bereidwilligheid. De passage die jij citeert, zegt trouwens dat we niets anders moeten doen dan bereidwillig zijn. We kunnen onszelf niet vergeven of de schuld, angst en haat uit onze denkgeest verwijderen. Wat we wel kunnen doen is ons bewust worden van onze behoefte aan vergeving door bereid te zijn naar onze oordelen te kijken als projecties van schuld omdat we voor de afscheiding hebben gekozen. Die keuze wordt vergeten tot we de oordelen zien. Het wonder van vergeving begint met de bereidwilligheid ze te herkennen als de projecties die ze zijn, in plaats van ze te rechtvaardigen door schuld buiten de denkgeest te schuiven, op factoren van buitenaf. Daarmee hebben we genoeg te doen omdat het op zich niet zo gemakkelijk is als het lijkt.

De wereld is een vruchtbaar slagveld en bombardeert ons met ‘rechtmatige’ uiterlijke redenen om niet in vrede te zijn. Het is heel wat om te leren aanvaarden dat niets buiten de denkgeest onze vrede kan wegnemen. Daarom vond Jezus waarschijnlijk dat “wonder” een goed woord was voor zijn lessen in vergeving. Wanneer wij ons deel doen volgt de rest zonder verdere inspanning. Elke poging om meer te doen betekent alleen maar dat we onszelf de leiding hebben gegeven over de Verzoening, waardoor het zeker is dat we die niet zullen aanvaarden. Wat dat betreft, is het altijd nuttig ons de ene taak te herinneren die ons gegeven is: “Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden” (T16.IV.6:1).