Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#121 Heeft God de aarde geschapen of deden wij dat?

Er wordt gezegd dat wij, na de afscheiding, het lichaam geschapen hebben. Gezien alle schoonheid van de aarde die we kunnen zien, en ook de ongelooflijke variatie aan leven dat hier gedijt: schiep God de fysieke aarde of deden wij dat?

Antwoord: Voordat we je vraag beantwoorden moeten we verduidelijken dat de term ‘scheppen’ in Een cursus in wonderen alleen gebruikt wordt met betrekking tot Gods vermogen om te scheppen. Zijn schepping is Zijn Zoon, die met Hem in de Hemel verblijft. Wanneer de Cursus over de fysieke wereld in de illusie van de droom spreekt, inclusief het lichaam, gebruikt hij de term ‘maken’ of ‘miscreëren’. Zijn onderricht over de oorsprong van de fysieke wereld is onmiskenbaar: “De wereld die jij ziet is een illusie van een wereld. God heeft die niet geschapen, want wat Hij schept kan alleen maar eeuwig zijn als Hijzelf” (VvT4.1:1-2). Dus in werkelijkheid bestaat noch de wereld, noch het lichaam. Omdat onze ervaring dat we fysieke lichamen zijn die in een fysieke wereld leven zo werkelijk voor ons lijkt, is het belangrijk om in gedachten te houden dat, als we over de wereld spreken, niets ervan ooit echt kon plaatsvinden.

In deze droom van afscheiding is de wereld de plaats waar de slapende zoon, verteerd door de schuld omdat hij zich van God lijkt te hebben afgescheiden, zich komt verschuilen voor de ingebeelde toorn van een straffende God. Een cursus in wonderen leert dat het ego, gek geworden door schuld, de wereld maakte, en ook het lichaam. Niet alleen om zich voor God te verbergen, maar om God buiten het bewustzijn te houden. “De wereld werd gemaakt als een aanval op God. Ze symboliseert angst. En wat is angst anders dan de afwezigheid van liefde? De wereld was aldus bedoeld als een plaats waar God niet binnen kon gaan en waar Zijn Zoon van Hem gescheiden kon zijn” (WdII.3.2:1-4). Volgens het denksysteem van de Cursus heeft God de wereld dus duidelijk niet gemaakt. Zij is het gevolg van de afscheidingsgedachte, en wordt in stand gehouden door de voortdurende schuld over die gedachte: “De wereld die jij ziet is wat jij haar gegeven hebt, niets meer. […] Ze getuigt van de staat van jouw denkgeest, de uiterlijke weergave van een innerlijke toestand” (T21.In.1:2,5). Dit betekent niet dat we moeten zoeken naar het goede en het mooie in de wereld tegenover het kwaad en het lelijke. Het gaat over onze keuze voor de interpretatie van het ego, of die van de Heilige Geest.

Het ego kijkt naar het schoons en de verscheidenheid in de wereld als bewijs dat de wereld werkelijk is, dat God die ‘schiep’, en dat ons najagen van vreugde in deze wereld door Hem gezegend wordt. In overeenstemming met deze denkwijze maakte God ook de verwoestende natuurrampen die de wereld teisteren, de zogenaamde ‘acts of God’ die in (Engelstalige) verzekeringspolissen worden genoemd. Dan moet God beslist wreed zijn. Het ego denksysteem maakt God niet alleen verantwoordelijk voor de schoonheid, maar ook voor alle verschillende vormen van fysiek, psychologisch en emotioneel lijden die we in deze wereld vinden. De schijnbare schoonheid van de wereld vangt onze aandacht, als een truc van het ego om ons vast te houden in zijn leugen: dat geluk buiten de Hemel mogelijk is. Voor verdere gedachten over onze ervaring van schoonheid in de wereld verwijzen we je graag naar ons antwoord op V#70.