Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#186 Wie is “de aanklager”?

In hoofdstuk 31 van Een cursus in wonderen, paragraaf V, “Zelfconcept tegenover Zelf”, zegt Jezus: “De rol van aanklager zal op vele plaatsen en in vele vormen verschijnen. En telkens zal het lijken of hij jou beschuldigt” (T31.V.16:5-6). Kun je uitleggen wat hiermee bedoeld wordt?

Antwoord: Eerder in deze paragraaf wordt duidelijk gemaakt dat elke keer wanneer we een ander veroordelen, er in werkelijkheid sprake is van een diep weggestopte zelfbeschuldiging. De meest beeldende beschrijving is misschien wel de volgende: “Wat hij doet, maakt niet meer uit, want je beschuldigende vinger wijst naar hem, priemend en dodelijk. Hij wijst evengoed naar jou, maar dit wordt onder het gezicht van de onschuld nog dieper in nevelen gehuld” (T31.V.6:4-5).

De paragraaf vervolgt met een uiteenzetting (T31.V.15,16) van de verschillende concepten of rollen die we ons in de loop van de tijd aanmeten (bijvoorbeeld: kind, broer of zus, student, minnaar, echtgenoot, ouder, werknemer, baas). Al die tijd geloven we dat we in deze verschillende relaties slachtoffer zijn, oneerlijk behandeld door een wereld van kwaad die buiten onszelf bestaat. Maar alles waarvan we anderen beschuldigen binnen de diverse rollen in ons leven (dat wil zeggen: “de rol van aanklager... op vele plaatsen en in vele vormen”) representeert in werkelijkheid de verborgen aanklacht jegens onszelf, en onze schuld en zonde vanwege de oorspronkelijke afscheidingsgedachte en alle schijnbare afsplitsingen daarvan. Wanneer we dus wat de Cursus ons leert over projectie aanvaarden en in praktijk brengen, lijkt het alsof onze vinger, die eerst naar anderen wees, nu elke keer naar onszelf wijst. Maar ons ware Zelf bevindt zich buiten al deze rollen en concepten. Dus stelt Jezus ons gerust: “Maar wees niet bang dat dit [elke rol] niet ongedaan zal worden gemaakt” (T31.V.16:7). Want geen enkel beeld van goed of kwaad dat we van onze broeder en van onszelf hebben gemaakt, is waar. En als we geen enkel beeld meer wensen, zullen we weten Wie we werkelijk zijn (T31.V.17).