Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#171 Verwarring over het nietig dwaas idee

Hoe meer ik Een cursus in wonderen probeer te begrijpen, des te moeilijker worden sommige elementen uit de leer. Namelijk, ik dacht eerst dat ik wel in het reine was gekomen met het feit dat de Zoon een dwaas idee kon hebben, in die zin dat hij wrok koesterde omdat hij een tweederangs schepper was. Want God is DE Schepper, terwijl de Zoon toch ook een autonoom wezen is, door God geschapen. Maar nu denk ik: GOD IS, punt uit. De Zoon is een Gedachte in de Denkgeest van God, een integraal essentieel van God. Er is absoluut geen onderscheid. Dus dan kan het onmogelijke zelfs geen nietig dwaas idee zijn. Betekent dit dat er twee entiteiten zijn? Eén entiteit die we Werkelijk noemen en een die we onwerkelijk noemen? Bestaat de onwerkelijke entiteit dan dankzij de verdraagzame Wil van God, maar buiten Zijn positieve Wil? Wanneer de Cursus zegt dat God zich niet bewust is van het ego, is dat dan net zo metaforisch bedoeld als wanneer hij spreekt over God, die weent over zijn Zoon? Het is beter om te zeggen GOD IS en op te houden er verder over na te denken, want er kan niets gebeurd zijn. Maar er leek iets te gebeuren. Wat is ‘lijken’ in dit verband?

Antwoord: Deze vraag leeft bij iedereen. Het is in feite de meest gestelde vraag. En er is geen antwoord op dat bevredigend is voor het intellect. Laat het voldoende zijn dat Jezus in zijn eigen woorden antwoordt:

“Het is alleszins redelijk te vragen hoe de denkgeest ooit het ego heeft kunnen maken. Het is in feite de beste vraag die je stellen kunt. Het heeft echter geen zin om een antwoord te geven aan de hand van het verleden, omdat het verleden er niet toe doet, en de geschiedenis niet zou bestaan als dezelfde fouten niet in het heden werden herhaald” (T4.II.1:1-3).

“Het ego zal veel antwoorden eisen die deze cursus niet geeft. Hij herkent niet als vraag wat slechts de vorm heeft van een vraag waarop geen antwoord mogelijk is. Het ego vraagt misschien: ‘Hoe heeft het onmogelijke plaatsgevonden?’, ‘Waaraan heeft zich het onmogelijke voltrokken?’ en kan dit in vele vormen vragen. Maar er is geen antwoord, alleen een ervaring. Zoek die alleen, en laat theologie je niet ophouden” (VvTinl.4).

“Wie jou vraagt het ego te definiëren en uit te leggen hoe het is ontstaan, kan alleen maar iemand zijn die denkt dat het werkelijk is en die dankzij deze definitie probeert te waarborgen dat de illusoire aard ervan achter de woorden wordt verborgen die het werkelijk doen lijken” (VvT2.2:5).

In het licht van deze fragmenten kan worden geconcludeerd dat het idee van God met zowel een verdraagzame Wil als een positieve Wil niet consistent is met het absoluut non-dualistische karakter van de metafysica van de Cursus. Jezus’ uitspraak is beslist metaforisch wanneer hij zegt dat God zich niet bewust is van het ego en ook wanneer hij de afscheiding een ‘nietig, dwaas idee’ noemt, en dit geldt voor vele andere uitspraken van hem. Jezus verwijst niet naar een of ander goddelijk mysterie, dat we op een goede dag zullen begrijpen. Er is gewoon geen enkele manier waarop ons intellect tot een sluitende verklaring kan komen over deze kwestie. Ons blijft de keus Jezus op zijn woord te geloven dat ervaring een eind zal maken aan al onze twijfels (WdI.158.4:4) en dat we beter af zijn als we de principes en oefeningen uit zijn Cursus toepassen in ons dagelijks leven. Als dat niet het geval blijkt te zijn, dan is er altijd een andere spirituele weg die ons de vrede van God zal brengen.