Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#163 Wat wordt bedoeld met “er zijn er maar twee nodig”?

In de paragraaf “Regels voor het nemen van beslissingen” wordt gezegd: “Er zijn er maar twee nodig die deze dag gelukkig willen zijn, om dat aan heel de wereld te kunnen beloven” (T30.I.17:1). Heeft dit betrekking op mij als lezer en de Heilige Geest? En als dit zo is, waarom begint ‘twee’ dan niet met een hoofdletter als het verwijst naar de Heilige Geest? Kan het ook betekenen dat met de ‘twee’ mij als lezer bedoeld wordt en het ego dat denkt dat het een gelukkige dag is?

Antwoord: Eerder in deze paragraaf spreekt Jezus over de aard van het geluk dat je ervaart - werkelijk of niet - afhankelijk van “de vriend wiens raad je hebt gezocht” (T30.I.15:2): het ego of de Heilige Geest. Maar in deze laatste alinea verwijst Jezus naar het werkelijke geluk dat ontstaat door ons te verbinden met een broeder via Jezus of de Heilige Geest. Het ontstaat door te erkennen dat we geen afzonderlijke belangen hebben, maar alleen gedeelde belangen, en dat onze denkgeesten niet gespleten zijn, maar verbonden. Wanneer deze erkenning werkelijk binnen onze denkgeest wordt gedeeld met welke broeder dan ook, dan moet dit vervolgens wel naar de hele wereld worden uitgebreid, want alles is één.

En deze verbinding heeft niets te maken met lichamen, noch dat van mij (als de lezer) noch dat van mijn broeder. Dus om dit te ervaren hoeft het lichaam van mijn broeder niet aanwezig te zijn en hoeven er geen woorden uitgewisseld te worden.

Jezus legt eerder in de Tekst uit: “Net als jij denkt je broeder dat hij een droom is. Deel niet in zijn illusie van hemzelf, want jouw Identiteit is aangewezen op zijn werkelijkheid. Denk in plaats daarvan aan hem als aan een denkgeest waarin illusies nog wel standhouden, maar niettemin een denkgeest die broeder voor jou is. Hij is niet tot broeder gemaakt door wat hij droomt, noch is zijn lichaam, de ’held’ van de droom, jouw broeder. Het is zijn werkelijkheid die jouw broeder is, zoals de jouwe dat is voor hem. Jouw denkgeest en de zijne zijn in broederschap verbonden” (T28.IV.3:1-6).