Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#157 God is zich niet bewust van ons bestaan in de wereld en over ‘de keuzemaker’

Ken Wapnick leert ons dat God niet eens weet dat we bestaan, dat we hier in de wereld zijn. Waar wordt dat in Een cursus in wonderen genoemd, of in welke passage wordt het geïmpliceerd? Ik heb geen problemen met de stelling, omdat ik begrijp dat ‘bestaan’ in de Cursus verwijst naar ons geloof in het ego, naar het geloof dat we lichamen zijn, en ‘zijn’ verwijst naar onze eenheidstaat in de Hemel. Dus is het logisch dat God ons niet ‘kent’ in onze hoedanigheid van ego. Maar kun je uitleggen waar het vandaan komt? En waar in de Cursus maakt Jezus melding van de ‘keuzemaker’, waar Ken zo vaak naar verwijst?

Antwoord: De stelling dat God niet eens weet dat we bestaan, zoals jij aangeeft, komt voort uit het begrip van de metafysica van de Cursus. Het zelf dat we hier in de wereld denken te zijn, is een illusoire projectie van een illusoire gedachte in een illusoire gespleten denkgeest. Het heeft geen werkelijkheid. God, Die totale Eenheid is, kan niet iets kennen dat geen deel uitmaakt van die totale Eenheid en Hij kan geen waarnemer kennen die afgescheiden is van het waargenomene. Als God van ons bestaan in deze wereld afwist, dan zou de afscheiding werkelijk zijn. Maar de Cursus verklaart telkens weer dat de afscheiding in werkelijkheid nooit plaatsvond: het Verzoeningsprincipe (zie T2.1.4:4; T2.VII.6:7-9).

Hoewel de specifieke bewoordingen van je vraag in de Cursus nooit gebruikt worden, zijn er toch een aantal passages waarin duidelijk wordt geïmpliceerd dat God geen weet heeft van ons bestaan hier, waaronder de volgende: “God en Zijn scheppingen verkeren altijd in zekerheid, en weten daarom dat er geen miscreaties bestaan” (T3.IV.7:1). “God heeft inderdaad de geest naar Zijn eigen Gedachte geschapen en van een hoedanigheid gelijk aan die van Hemzelf. Er is niets anders” (T3.V.7:3,4). Een eindje verderop, sprekend over ons zelf en het Zelf van God, merkt Jezus op: “Ze zijn fundamenteel onverenigbaar, omdat de geest niet kan waarnemen en het ego niet kan kennen. Ze zijn daarom niet in communicatie met elkaar en kunnen ook nooit in communicatie zijn” (T4.I.2:11,12). En in de volgende paragraaf: “De niet aflatende pogingen van het ego om erkenning van de geest te krijgen en zo zijn eigen bestaan te bevestigen zijn vruchteloos. De geest is zich in zijn kennis niet van het ego bewust. Hij valt het niet aan, hij kan er zich eenvoudig geen enkel idee van vormen (T4.II.8:5-7).

Het woord keuzemaker zoals Ken het gebruikt in zijn onderricht vind je in de Cursus zelf niet terug. De enige keer dat de Cursus die zinsnede gebruikt is wanneer hij spreekt over onze weerstand om de macht tot beslissen te herkennen, die zich in onze denkgeest bevindt. In plaats daarvan geven we er de voorkeur aan “het lichaam als keuzemaker” (H5.II.1:7) te zien. Hoewel de denkgeest in dat ene voorbeeld niet wordt genoemd wordt duidelijk gemaakt dat de denkgeest de keuzemaker is en niet het lichaam. Het woord keuzemaker is dus een makkelijk beknopt woord om naar het deel van de gespleten denkgeest te verwijzen dat door de Cursus overal wordt aangesproken. Het is overduidelijk dat de Cursus niet het zelf kan aanspreken dat wij denken te zijn, want hij brengt ons herhaaldelijk in herinnering dat dat zelf niet echt is en dat de hersenen, waarvan wij denken dat zij keuzes maken, helemaal geen macht hebben. In het Werkboek merkt Jezus bijvoorbeeld enigszins geamuseerd op: “Je gelooft ook dat de hersenen van het lichaam kunnen denken. Als je ook maar iets van de aard van het denken begreep, zou je alleen maar kunnen lachen om dit waanzinnige idee” (WdI.92.2:1,2).

Dat de focus moet liggen op de macht om te beslissen in onze denkgeest is volkomen gepast wanneer we in aanmerking nemen dat Jezus er de nadruk op legt dat: “de macht om te beslissen … de enige vrijheid [is] die jou als gevangene van deze wereld rest. Je kunt ervoor kiezen haar [de wereld] op de juiste manier te zien” (T12.VII.9:1,2). En verderop: “Elke dag, elk uur en elke minuut, ja zelfs elke seconde, kies je tussen de kruisiging en de opstanding, tussen het ego en de Heilige Geest. Het ego is de keuze voor schuld, de Heilige Geest de keuze voor schuldeloosheid. De macht om te beslissen is het enige wat jij hebt” (T14.III.4:1-3; cursief toegevoegd). Dat het concept keuze of beslissing binnen het onderricht van de Cursus centraal staat, blijkt duidelijk wanneer we in aanmerking nemen dat de woorden kiezen en beslissen in verschillende vormen meer dan duizend keer voorkomen in de drie delen van de Cursus. En de slotparagraaf van het Tekstboek, “Maak opnieuw je keuze” (T31.VIII) is een prachtige lofzang op de mogelijkheid te kiezen.