Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#148 Hoe kon een staat van Eenheid tot de gedachte van afscheiding leiden?

Hoe konden afscheidingsgedachten in ons opkomen in dat ‘nietige, dwaze ogenblik’ als we ons toen allemaal in een staat van Eenheid met God bevonden? Wat heeft ons bezeten waardoor we deze eenheid, die vrede en gelukzaligheid betekende, hebben verlaten? Hoe kon dit gebeuren? Hoe is het volgens jou gegaan?

Antwoord: Dit is de ‘beroemde’ vraag. Beroemd, omdat het de vraag is die door studenten van Een cursus in wonderen het meest wordt gesteld (zie ook V#010). Het ‘beroemde’ antwoord is dat het eigenlijk geen vraag is, maar een bewering dat de afscheiding in feite heeft plaatsgevonden (VvT.In.4; zie ook The Most Commonly Asked Questions About A Course in Miracles, Kenneth Wapnick, blz. 17-22). Dat wordt achter de vraag verondersteld. De Cursus leert ons dat de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden. Het is in feite onmogelijk dat de Zoon zich van de Vader afscheidt. Vanuit dit uitgangspunt gaat de Cursus verder met ons uitvoerig uitleggen hoe we ‘hier kwamen’, aangezien we denken dat we hier zijn. De verklaring die hij ons geeft, is een soort mythe en legt iets uit dat nooit kon gebeuren. De Cursus zegt ons dat de Zoon van God in slaap viel en droomde over de afscheiding: “Jij bent thuis in God en droomt van ballingschap, maar bent volmaakt in staat te ontwaken tot de werkelijkheid” (T10.I.2:1). Dat wij onszelf in de wereld als een lichaam ervaren, is een droom. Er is niets gebeurd en in waarheid zijn we nog altijd Thuis in God.

Een cursus in wonderen vertelt wat er in de denkgeest van de slapende Zoon ‘gebeurde’. Hij wenste méér dan alles: “Niemand komt hier zonder nog hoop, een of andere langslepende illusie, of een droom te hebben dat er buiten hem iets is wat hem geluk en vrede brengen zal. Als alles in hem is, kan dit niet het geval zijn. En zodoende ontkent hij door zijn komst de waarheid omtrent zichzelf, en zoekt hij naar iets wat méér is dan alles, alsof een deel daarvan werd afgezonderd en gevonden kan worden waar heel de rest niet is (T29.VII.2:1-3). Verlokt door de ‘plotselinge drang’ om een autonoom individu te zijn en denkend dat dit het geluk brengt dat boven de ‘vrede en gelukzaligheid’ ligt die jij noemt, kiest de Zoon voor de gedachte aan afscheiding van zijn Bron. Hoewel het lijkt alsof dit miljoenen jaren geleden in een of ander ver vergeten verleden is gebeurd, vindt het feitelijk elk ogenblik opnieuw plaats, telkens wanneer we de keuze maken te denken dat de afscheiding werkelijk is. Dit is de enige ‘verklaring’ voor het feit dat we hier lijken te zijn, zo werkelijk, zo ‘levend’ en geïdentificeerd met het lichaam. Het is een keuze, en de Cursus zegt ons dat deze keuze doelbewust is. Ze stelt onze afzonderlijke identiteit vast die we hebben leren verkiezen boven de waarheid over wie we zijn. We verkiezen deze eigengemaakte identiteit omdat we geheel ten onrechte geloven dat die ons geluk zal brengen. We hebben onszelf ervan overtuigd dat het ego gelijk heeft over wie we zijn en dat God ongelijk heeft. Door ons aan deze overtuiging vast te klampen houden we de afscheiding ‘springlevend’ in onze denkgeest. Hierdoor gebeurt dit steeds opnieuw in onze denkgeest. Nogmaals, de gedachte die ons drijft is dat autonomie beter is dan eenheid, God niet volstaat en het ego ons dat ‘méér’ geeft waarnaar we zoeken.

Samengevat: de grondslag voor het onderricht van de Cursus berust op deze heel belangrijke erkenning van de macht van de denkgeest om te kiezen. De Cursus zegt ons dat de keuze te denken dat de afscheiding heeft plaatsgevonden een verkeerde keuze was, en hij raadt ons dringend aan: “Maak opnieuw je keuze” (T31.VIII). Elke situatie waarin we conflict, pijn of onbehagen voelen, geeft ons de kans onze ervaring in het licht van dit onderricht in twijfel te trekken en opnieuw te kiezen: “De beelden die jij maakt kunnen niet triomferen over wat God Zelf wil dat jij bent. Wees dan ook nooit bang voor verleiding, maar zie die als wat ze is: een volgende kans om opnieuw te kiezen” (T31.VIII.4:1-2).