Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#146 Waarom is een deel van mij bang voor Jezus?

Ik ben nu iets meer dan een jaar student van Een cursus in wonderen. Ik dacht dat ik alleen liefdevolle gevoelens jegens Jezus had. Daarom sta ik versteld over een ander deel van mij dat bang lijkt te zijn voor Jezus’ liefde en nabijheid – vooral omdat mijn doel als student van de Cursus is me met hem te verbinden en te oefenen in vergeving. Ik vraag me ook af waarom een deel van mijn denkgeest nu tegen Jezus zegt dat hij me met rust moet laten en me niet moet kwetsen, want het deel van mijn denkgeest dat de beslissingen neemt heeft al besloten dat er een andere manier moet zijn (dat wil zeggen voor Jezus kiezen als leraar in plaats van voor het ego). Kun je me helpen dit te begrijpen?

Antwoord: Dit is een goed voorbeeld van de gespleten denkgeest waarvan sprake is in de Cursus. Een deel ervan is gezond en weerspiegelt de liefde van de Hemel, het andere deel is krankzinnig en vervuld van de haat van het ego. Als deel van de ene Zoon van God beschikken we allemaal over beide delen, en onze keuzemaker kiest altijd voor het ene of het andere. Jezus herinnert er ons in de Cursus steeds weer aan dat alleen deze twee keuzes voor ons open staan. Aan de hand van wat we ervaren, kunnen we meestal zeggen of we het ego of de Heilige Geest als leraar hebben gekozen, maar meestal beseffen we niet bewust dat we een keuze maken. Jezus leert ons echter dat ook al lijkt het dat onze beslissingen buiten ons bewustzijn worden genomen, dit in werkelijkheid niet zo is. Zie bijvoorbeeld Les 136, paragraaf 3-5.

Hoewel in individuele gevallen andere factoren misschien verantwoordelijk zijn voor de angst, kunnen we in het algemeen zeggen dat het ego-deel van onze denkgeest intens bang voor Jezus moet zijn en hem ook moet haten omwille van wat hij vertegenwoordigt. Schuld houdt het ego in stand, en daarom wordt iemand zoals Jezus, die staat voor het einde van schuld, gehaat en gevreesd. Dus “voor het ego geldt: de schuldelozen zijn schuldig” (T13.II.4:2). Jezus staat voor het einde van onze identiteit als ego. Dus voor zover we ons met ons ego vereenzelvigen, vrezen en haten we hem. Dat is natuurlijk niet onze volledige identiteit, maar dat is wat we moeten leren, en wat Jezus ons zo uit-en-te-na onderwijst. Dus zolang we onze vereenzelviging met het denksysteem van het ego niet loslaten, willen we Jezus minstens op een veilige afstand houden, en soms haten we hem ronduit. We moeten ons niet schuldig voelen over deze angst en haat, maar begrijpen waar die vandaan komt, zodat we onszelf de kans kunnen geven een andere keuze te maken. Jezus heeft daar al weet van, daarom vraagt hij ons in de Cursus hem te vergeven (T19.IV.B.6) en daarom spreekt hij over “wrange idolen [die] zijn […] gemaakt van hem die slechts een broeder voor de wereld wilde zijn” (VvT5.5:7). We projecteren onze eigen schuld op hem en geven hem onze eigen ego-trekjes. Dat is grotendeels het portret van Jezus dat in het Bijbelse Christendom wordt afgeschilderd. Maar in wezen staat de ware Jezus, de Jezus van Een cursus in wonderen, voor het tegenovergestelde van alles wat wij als ego zijn. In onze relatie met hem brengt dat een geweldig conflict met zich mee. We hebben hem lief en voelen ons tot hem aangetrokken, maar tegelijkertijd zijn we bang voor hem en willen we dat hij een beetje meer op ons lijkt, zodat wij niet hoeven te veranderen.

De enige vergissing die we kunnen maken is deze (voor het ego) ‘godslasterlijke’ gedachten ontkennen en verbergen, en ze vervolgens proberen te vervangen door liefdevolle, prachtige gedachten over onze dierbare, lieve Jezus. Deze verdediging zal nooit werken. Ze veroorzaakt alleen maar meer schuldgevoelens die leiden tot een eindeloze cirkel van projectie en aanval. Het is het meest behulpzaam als we in alle kalmte naar deze gedachten kijken, ze niet afschuwelijk vinden of ons ervoor schamen, en ze naar de ware Jezus in ons juist gerichte denken brengen. Hij leert ons liefdevol en met zachtheid waar ze vandaan komen en helpt ons duidelijk onderscheid te maken tussen de gaven die het ego aanbiedt en de gaven die hij ons schenkt.