Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#138 Maakt het iets uit wat we hier doen?

Als het onvermijdelijk is dat we zullen ontwaken, of ten minste ons onze ware Identiteit herinneren, zou het dan niet logisch zijn dat we in de wereld doen waar we ons het meest vredig bij voelen? In veel opzichten doet het er dus niet werkelijk toe wat anderen doen of zeggen. Als het ontwakingsproces onvermijdelijk is doet Een cursus in wonderen zelf in feite niet ter zake. Ik bedoel: is het niet alleen maar een kwestie van hier rondhangen en doen wat je het liefste doet? En weten dat het ego onzin uitkraamt, ongeacht onze ogenschijnlijke wereldse activiteiten?

Antwoord: “De uitkomst is zo zeker als God” (T2.III.3:10) en “het is slechts een kwestie van tijd tot iedereen de Verzoening heeft aanvaard” (T2.III.3:1). Hoewel dit zo is – eenvoudigweg omdat we ons nooit echt van God kunnen afscheiden – maken we op dit moment nog altijd doelbewust de keuze om te blijven slapen in onze droom van de tijd. Omdat achter de droom de pijn vanwege de gedachte aan afscheiding voor ons uiteindelijk ondraaglijk wordt, zullen we allemaal op een bepaald moment een andere keuze willen maken: de keuze om te ontwaken (T2.III.3). De enige vraag die elk van ons zichzelf nu moet stellen is dan ook: hoe lang wil ik pijn blijven lijden, slapend in de tijd? Als we ons niet bewust willen worden van onze keuze om onszelf als afgescheiden te zien en er niet de verantwoordelijkheid voor willen aanvaarden, zegt Jezus ons dat we minstens zo lang als de tijd die de afscheiding al duurt door kunnen gaan met de tijd rekken en uitstellen, dat wil zeggen “miljoenen jaren” (T2.VIII.2:5)!

Toegegeven, dit is allemaal illusoir, en vanuit Jezus’ perspectief, buiten de tijd, is het van weinig belang: “Niets gaat ooit verloren behalve de tijd, en die heeft uiteindelijk geen betekenis. Want hij vormt op de weg naar de eeuwigheid maar een kleine hindernis, en is voor de ware Leraar van de wereld van geen enkele betekenis” (T26.V.2:1-2). Maar Jezus erkent ook dat wij dat niet op die manier ervaren, hier in de tijd: “Maar aangezien je er toch in gelooft (in de tijd), waarom zou je hem dan verspillen door nergens heen te gaan, wanneer hij kan worden gebruikt om tot het hoogst mogelijke doel te komen dat door leren kan worden bereikt?...Maar het is zonder meer moeilijk wanneer je afdwaalt, alleen en ellendig, langs een pad dat naar niets leidt en geen bestemming heeft” (T26.V.2:3,6).

We kunnen dus de manier kiezen waarop we de tijd willen gebruiken en hoe lang we de tijd willen blijven ervaren. En ja, uiteindelijk doet het er niet toe, want we zullen ons wel moeten herinneren wie we werkelijk zijn – dat is nooit echt veranderd. Maar zolang we nog geloven dat dit alles werkelijk is, zegt Jezus ons in zijn Cursus dat de duur van onze tijd in de tijd “aanzienlijk [kan] worden bekort door wonderen, het middel ter bekorting maar niet ter opheffing van de tijd” (T2.VIII.2:6). Maar dit betekent, als de Cursus ons pad is, dat onze relaties met onze broeders van centraal belang zijn, want elk van ons heeft alle schuld en verantwoordelijkheid voor de pijn van de afscheiding die we niet in onszelf willen zien op de anderen geprojecteerd. Als studenten van de Cursus moeten we letten op wat anderen doen of zeggen, niet omdat we hen willen veranderen, maar omdat onze reactie op hen ons kan leiden naar de ongenezen plaatsen in onze denkgeest. Als we niet naar onze reactie op anderen kijken en het afdoen als onbelangrijk voor ons ontwakingsproces, dan houden we ons bezig met ontkenning. Dat is alleen maar een andere manier om te zeggen dat we de verantwoordelijkheid voor onze eigen beslissing om afgescheiden te zijn weigeren te aanvaarden. Uiteindelijk zullen we dit allemaal inzien. De keuze die we hebben is of we al die projecties nu willen erkennen.

Hoe moeilijk het ook lijkt om naar onze broeder te kijken om onze eigen “geheime zonden en de verborgen haatgevoelens” (T31.VIII.9:2) te zien, Jezus wil dat we begrijpen dat er niet naar kijken tot nog ergere pijn leidt, want dan is er geen hoop op genezing. En dus moedigt hij ons aan en herinnert ons eraan dat dit een pad is dat we samen met onze broeder nemen. “Denk niet dat de weg naar de Hemelpoort ook maar enigszins moeilijk is. Niets wat jij onderneemt met doelgerichtheid, met grote vastberadenheid en blij vertrouwen, terwijl jij je broeders hand vasthoudt en op de maat van het lied van de Hemel loopt, is moeilijk te volbrengen” (T26.V.2:4-5; cursivering toegevoegd).