Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#125 Over vooruitgang met de Cursus en ‘in afwachting’ zijn

Ik ben ongeveer drie jaar bezig met de studie van Een cursus in wonderen. Ik heb twee vragen. Ten eerste, waar wil je toch naar toe met de Cursus, met andere woorden: is er een punt waar het allemaal bij elkaar komt? Ten tweede, het voelt alsof ik ‘in afwachting’ ben en altijd ben geweest – ik bedoel dat ik een voorgevoel heb, maar dat is het ook niet echt. Ik heb er genoeg van om mijn leven te verdoen met ‘wachten’. Kun je me hierover advies geven?

Antwoord: We weten niet zeker wat je bedoelt met ‘een punt waar het allemaal bij elkaar komt’. De Cursus werkt, als dat is wat je bedoelt. Het is een persoonlijk toegesneden, individueel curriculum (H9.1:5); daarom is het specifieke proces voor iedere student anders. Ons leren vindt altijd plaats binnen de context van de relaties en omstandigheden in ons leven. Het doel van de oefeningen in het Werkboek is deze lessen te veralgemenen, zodat we, al doende, geleidelijk aan leren de principes elke dag en elke minuut toe te passen, zonder dat we in iets specifieks verstrikt raken. Dan ‘komt het allemaal bij elkaar’. Het wordt dan onze gewoonte om bij alles wat in ons dagelijkse leven gebeurt, onze egogedachten naar de liefde van Jezus in onze denkgeest te brengen. Vervolgens, als onze weerstand aan het licht gebracht en losgelaten is, kunnen we tegen het ego kiezen en onze denkgeest laten genezen. Aldus brengen we het bewustzijn van de aanwezigheid van liefde – dat we weggestopt hadden – terug in onze denkgeest. Vanuit dit rustige centrum van vrede wordt dan aan ons leven richting gegeven: “En je zult je meer bewust zijn van dit rustige centrum van de storm dan van al zijn razende activiteit. Dit rustige centrum, waarin je niets doet, zal bij je blijven, en jou rust geven te midden van alle drukke bezigheden waarop je wordt uitgestuurd. Want vanuit dit centrum zal je gewezen worden hoe je het lichaam zondeloos kunt benutten. En dit centrum, waarin het lichaam afwezig is, zal het zo in je bewustzijn ervan bewaren” (T18.VII.8:2-5).

Het is moeilijk om je tweede vraag te beantwoorden zonder meer over je te weten. Dus zullen we in het algemeen iets zeggen over het patroon dat je beschrijft, een patroon dat helemaal niet zo ongebruikelijk is. De Cursus spreekt dikwijls over angst – paniek zelfs – die het gevolg is van het feit dat we naar het ego hebben geluisterd in plaats van naar de Heilige Geest. We zijn ons niet bewust van de angst op dit niveau van onze denkgeest. De angst die we wel voelen wordt altijd toegeschreven aan iets in de wereld of in onze fysiek/psychologische ervaring, die zich beide buiten de denkgeest bevinden. Maar de angst waar Jezus over spreekt is – gedeeltelijk – de oorzaak van verschillende patronen in ons leven. De angst houdt verband met onze verwachting dat God ons zal straffen omdat we ons van Hem hebben afgescheiden, en ze houdt ook verband met onze belofte hoe dan ook trouw te zijn aan het ego. Daarom wordt – binnen onze denkgeest – juist ons bestaan als individu in verband gebracht met angst en ontzetting, zo enorm dat niets in de wereld er bij benadering in de buurt komt.

In plaats van deze angst naar Jezus te brengen, die ons helpt beseffen dat ze volkomen ongegrond is, luisteren we naar het ego, die ons waarschuwt dat we er wat aan moeten doen. Vervolgens wordt ons leven in wezen ingericht als een verdediging tegen deze angst. Dit uit zich op verschillende manieren. Een van die manieren kan zijn dat je nooit op gang komt in je leven – alsof je op een verkeerslicht wacht dat nooit groen wordt. Je bent onbewust bang dat je verdoemd bent, wat je ook doet. De misplaatste reactie op deze angst is ‘de versnelling in zijn vrij houden’, zodat je nooit verantwoordelijkheid voor iets hoeft te nemen, want diep in je denkgeest zit de gedachte: ‘Ik ben al eens eerder in mijn eentje op weg gegaan en kijk nou wat ik gedaan heb. Ik heb liefde vermoord, opdat ik kon bestaan. Ik ben een vreselijk mens, dus ik zal ervoor zorgen dat ik nooit iets maak van mijn leven, zodat ik niet opgepakt wordt en verantwoordelijk gehouden voor het afschuwelijke dat ik heb gedaan’.

In zo’n situatie kan niets veranderen totdat de innerlijke staat van doodsangst wordt erkend en ernaar gekeken wordt. Soms vraagt dit om de hulp van een inlevende therapeut, maar niet altijd. Jezus moedigt ons aan deze stap te zetten met hem aan onze zijde: “We zijn klaar om het denksysteem van het ego nader te bekijken, want samen hebben we de lamp die het zal verdrijven, en aangezien je beseft dat jij het niet wilt, moet je wel klaar zijn. Laten we heel gerust zijn wanneer we dit doen, want we zoeken slechts eerlijk naar de waarheid” (T11.V.1:3-4). We hebben hulp nodig van iemand die buiten dit denksysteem van zonde, schuld en angst staat, die de onwerkelijkheid ervan ziet, maar die evenzo het vernietigende effect ervan ziet in de denkgeest van hen die vergeten zijn dat het allemaal alleen maar een verzonnen leugen is.