Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#071 Je slachtoffer voelen in een relatie

Er zit een ‘patroon’ in wat me in mijn relaties lijkt te overkomen. Het eindigt er steeds mee dat ik uiteindelijk alleen blijf en het gevoel heb dat er iets van me afgenomen is. Dat de andere persoon iets heeft dat ik wil hebben, dat ik nodig heb. Zij krijgen het en ik niet.

Ik heb geprobeerd op alle mogelijke manieren om hulp te vragen. Uiteindelijk zie ik in mijn Leraar iemand die mij pijnigt en ben ik bang van Hem. Onlangs heb ik alle dingen die ik voor mezelf wil voor die andere mensen gevraagd. Het lijkt wat verlichting te brengen, maar de onderliggende gedachte dat mijn Leraar me pijnigt is er nog altijd. Hoe kan ik iemand vertrouwen die me pijnigt?

Antwoord: Het lijkt erop dat je, in de relaties die je beschrijft slachtoffer bent van je partner, en die situatie dan op je Leraar projecteert. Aangezien je ‘Leraar’ en ‘Hem’ met een hoofdletter schrijft, verwijs je vermoedelijk naar Jezus of de Heilige Geest. Deze veronderstelling kan nuttig zijn bij het beantwoorden van je vraag. De Cursus zegt ons dat zolang onze denkgeest niet genezen is, al onze relaties door het thema slachtoffer-dader worden gekenmerkt. Dit neemt de vorm aan van een gevoel ergens behoefte aan te hebben, of het gevoel dat je onrechtvaardig behandeld wordt of misdeeld bent. We geven anderen de schuld van ons gevoel van schaarste. De Cursus nodigt ons uit de werkelijke oorzaak hiervan te zien, zodat die ‘ongedaan gemaakt’ kan worden. De werkelijke oorzaak van ons gevoel van misdeeld zijn is dat we onze ware identiteit ontkennen en een identiteit aannemen van afgescheiden personen, op onszelf staand, los van God. De schuld die we voelen omdat we ervoor kiezen ons met het ego te vereenzelvigen is te zwaar om te dragen en dus projecteren we die op anderen, Jezus inbegrepen.

We beschuldigen hen ervan ons onrechtvaardig te behandelen. Dan komen we in een vicieuze cirkel terecht, want de schuld wordt niet ongedaan gemaakt door die te projecteren. Hij blijft aanwezig in de denkgeest en dwingt ons steeds maar situaties en mensen te vinden waarop we die schuld kunnen projecteren. Daarom merk je een patroon op in je relaties. We doen steeds weer hetzelfde en hopen op een ander resultaat. De Cursus vraagt ons verantwoordelijkheid te nemen voor de keuze die we maken. Dit is het proces van het ongedaan maken wat de werkelijke oplossing is voor onze hachelijke situatie. Hoewel we onze partners of Jezus misschien nog altijd als de oorzaak zien van ons slachtoffergevoel, is er een deel van onze denkgeest dat nu weet dat het gevoel van binnenuit komt en niet van buiten ons. Dit verdrijft wat van het gevoel en het is de beginstap van het vergevingsproces. Dit bedoelt de Cursus als hij zegt: “Wees bereid de Zoon van God te vergeven voor wat hij niet heeft gedaan” (T17.III.1:5). Aangezien we dezelfde gevoelens op Jezus projecteren, is hij vanzelfsprekend eveneens inbegrepen bij het vergevingsproces.

Er is nog een andere reden waarom het normaal is dat studenten van de Cursus zich slachtoffer van Jezus voelen. Het ego ziet in dat als je Jezus’ onderricht in de Cursus volgt, de onderbouwing van zijn denksysteem onderuit gehaald wordt. Dan wordt onze vereenzelviging ermee uiteindelijk losgelaten. In een milde vorm kan dit inderdaad ervaren worden alsof iets van je wordt afgenomen, of in een extreme vorm alsof “je wordt gepijnigd”. Het Handboek beschrijft dit proces als volgt: “Eerst moeten ze een periode doormaken die aangeduid kan worden als ‘een periode van ongedaan maken’. Dit hoeft niet pijnlijk te zijn, maar wordt gewoonlijk wel zo ervaren. Het lijkt alsof er dingen worden weggenomen, en aanvankelijk wordt zelden begrepen dat men slechts hun gebrek aan waarde begint in te zien” (H4.I.A.3:1-3). De titel zelf van deze paragraaf: “Het ontwikkelen van vertrouwen” geeft aan dat we op een punt van niet-vertrouwen beginnen en door een proces geleid worden waarin we vertrouwen ontwikkelen.

Ons leerproces met Jezus als onze leraar kan gezien worden als bijvoorbeeld de genezingsrelatie met een dokter of tandarts. Wanneer we naar de dokter of de tandarts gaan, weten we dat hun hulp ons pijn kan lijken te doen, maar dat ze onze ziekte behandelen en we ons uiteindelijk beter voelen. In deze zin is Jezus onze ‘dokter’; hij is een leraar die ons een nieuw denksysteem leert om onze zieke denkgeest te genezen. Dat lijkt pijn te doen omdat we zo in de war zijn en verdiept in onze verkeerde waarneming van alles, en zo gehecht zijn aan de ego-gedachten die onze denkgeest daadwerkelijk ziek maken, waardoor die genezing nodig heeft. Het kan zin hebben te proberen met Jezus een relatie aan te gaan alsof hij een vriendelijke en liefdevolle dokter is die op de meest zachtaardige manier probeert te helpen. Net als de tandarts of de dokter zal ook Jezus ons gekreun of onze klachten niet persoonlijk opvatten. Hij verwacht in feite dat we grieven tegen hem koesteren en weet dat we hem nog maar net leren vertrouwen: “Vergeef mij dan, vandaag. En je zult weten dat je mij vergeven hebt als jij je broeder in het licht van heiligheid aanschouwt. Hij kan niet minder heilig zijn dan ik, en jij kunt niet heiliger zijn dan hij” (WdII.288.2:1-3). Onze vergeving omvat dus Jezus en al onze broeders. Het is het antwoord op ons afscheidingsprobleem en ons gevoel van ontbering. Tijdens het proces is het belangrijk de negatieve gevoelens jegens Jezus niet te ontkennen, maar denk niet dat ze enig effect hebben op zijn liefde of zijn vermogen om te helpen, ondanks onze angst of gebrek aan vertrouwen. Het feit dat je om hulp vraagt kan niet anders dan betekenen dat je hem op een bepaald niveau wel vertrouwt en wel weet dat hij je kan helpen.

Naarmate we de egodynamiek in onze relaties aan het werk zien en het doel ervan begrijpen, leren we bereid te zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de manier waarop we voelen en zullen we de interpretatie of projectie van het ego niet langer geloven. Het wordt dan makkelijker te aanvaarden dat Jezus niet de oorzaak van ons dilemma is, maar dat hij ons juist een uitweg biedt uit de hel door middel van het onderricht van de Cursus. Hij dwingt ons niet of jaagt ons niet op, maar geeft ons een zacht duwtje langs het pad dat uit de ego-droom van duisternis leidt naar het licht van zijn liefde: “Kun je kinderen op een nog zachtaardiger manier wekken dan door een zachte Stem die hen niet verschrikt, maar hen er eenvoudig aan herinnert dat de nacht voorbij is en het licht gekomen? Je vertelt hun niet dat de nachtmerries die hen van angst zo vreselijk beklemden niet werkelijk zijn, omdat kinderen in magie geloven. Je zegt hun alleen geruststellend dat ze nu veilig zijn. Dan train je hen om het verschil tussen slapen en waken te herkennen, zodat ze begrijpen dat ze niet bang hoeven zijn voor dromen. En zo zullen ze wanneer er boze dromen komen, zelf een beroep doen op het licht om die te verdrijven” (T6.V.2).