Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#042 Komt God in deze wereld tussenbeide?

Zinspeelt Een cursus in wonderen op ‘God’ als een interactieve god die veranderingen aanbrengt in ons fysieke, wereldlijke bestaan in ons dagelijks leven en dit een andere wending geeft? De Cursus stelt aanvankelijk dat we onveranderlijk zijn, maar vermeldt later allerlei veranderingen die we bewerkstelligen naarmate we vooruitgaan. Het is me niet duidelijk of wij nu in staat zijn om veranderingen teweeg te brengen, of niet. Als we onveranderlijk zijn, waarom zouden we dan nog moeite doen om iets te doen, omdat we toch zijn wat we zijn.

Antwoord: Er wordt in de Cursus dikwijls in persoonlijke zin naar God verwezen, alsof Hij een bezorgde Vader is, die over ons waakt en die anders is dan Zijn kinderen. Maar wanneer we de metafysische basisleer van de Cursus over God begrijpen, dan wordt duidelijk dat dit soort persoonlijke, menselijke verwijzingen naar God niet letterlijk bedoeld worden. Het is de poging van de Cursus om “gebruik [te] maken van de taal die deze (eindige) denkgeest begrijpen kan, in de toestand (van afscheiding) waarin die denkt te verkeren” (T25.I.7:4). Ook dient het ter correctie van onze verkeerde waarneming van God, die door ons ego wordt geïnterpreteerd als een boze, wraakzuchtige Vader die ons probeert te straffen voor onze aanvallen op Hem.

De Cursus besteedt heel weinig tijd aan de onmogelijke taak om aan onze beperkte, eindige denkgeest een beschrijving te geven van de ware aard van God, Zijn scheppingen en de werkelijkheid – “zo is er ook geen symbool voor totaliteit” (T27.III.5:1) – maar hij doet wel enkele pogingen. Een voorbeeld uit het Werkboek: “Wat Hij schept staat niet los van Hem, en nergens eindigt de Vader en begint de Zoon als iets afzonderlijk van Hem” (WdI.132.12:4). En als erkenning van de onmogelijkheid om in woorden onder te brengen Wat alle begrippen en symbolen te boven gaat: “Eenheid is eenvoudig het idee: God is. En in Zijn Wezen omvat Hij alles. Geen enkele denkgeest bevat iets anders dan Hem. We zeggen: ‘God is’, en doen er dan het zwijgen toe, want in die wetenschap verliezen woorden hun betekenis. Er zijn geen lippen om ze uit te spreken en er is geen deel van de denkgeest onderscheiden genoeg om te voelen dat hij zich nu gewaar is van iets dat niet hijzelf is. Hij heeft zich verenigd met zijn Bron. En als zijn Bron Zelf, is hij alleen maar” (WdI.169.5).

Dus God, die “Alles in alles” (T7.IV.7:4) is, kan geen effect hebben op een deel van Hemzelf, alsof dat deel van Hem gescheiden is. Zelfs door naar Hem te verwijzen als ‘Hem’ wordt een persoonlijke aard toegekend aan de Bron van alles die in werkelijkheid volledig abstract is. Daarom beschrijft de Cursus God nooit alsof Hij met Zijn kinderen in de wereld in wisselwerking handelt. Die rol wordt toegekend aan de Heilige Geest, als de Stem namens God. Dit geeft de Heilige Geest een symbolische functie, in tegenstelling tot de Vader en de Zoon (T5.I.4:1). Maar aangezien de wereld een en al projectie is van de basisillusie van het ego, die geen werkelijkheid bezit, is er in werkelijkheid ook geen wereld waarin de Heilige Geest tussenbeide komt, maar alleen een denkgeest die gelooft dat er een wereld is. En zelfs dan heeft de Stem namens God geen actieve functie in de denkgeest – “Ze brengt slechts in herinnering” (T5.II.7:4) – en herinnert ons aan de waarheid over onszelf en over God, die nooit veranderd is.

De Cursus verwijst ook naar God als “de Onveranderlijke” (WdI.112.2:2) en “Vormloosheid” (WdI.186.14:1), Die “louter het onveranderlijke” (T6.IV.12:4) schept. Daarom is het ondenkbaar dat Hij iets te maken heeft met verandering in een wereld van vorm.

En dat brengt ons bij je tweede vraag over onze onveranderlijkheid. In onze werkelijkheid als geest is er niets veranderd en blijven we zonder zonde, volmaakt en één met onze Bron. Dit is het Verzoeningsprincipe, dat de hele Cursus door veelvuldig herhaald wordt. In die zin zijn we waarlijk onveranderlijk. Maar dit is duidelijk niet wat we over onszelf geloven of hoe we onszelf ervaren. En dus spreekt de Cursus niet zonder meer over wat werkelijk en waar is. Dat zou ons helemaal niet helpen, aangezien we vast lijken te zitten in het moeras van onze verkeerde overtuigingen. Dus de Cursus accepteert ons waar wij denken te zijn, erkent dat wij denken een afgescheiden fysiek wezen te zijn in een wereld van tijd en ruimte dat in een lichaam leeft en tegen krachten strijdt die we niet onder controle lijken te hebben. En hij biedt ons het middel – vergeving onder de leiding van de Heilige Geest – om een uitweg te vinden uit dit betekenisloze, zinloze labyrint van overtuigingen waarin we onszelf gevangen hebben gezet (T26.V.4:1). Niet omdat er iets van waar is, maar alleen omdat wij dat geloven. Zolang we geloven dat wij onze ware werkelijkheid als Christus hebben veranderd, lijken we een veranderingsproces te moeten doormaken dat alle veranderingen, die wij denken aan onze identiteit te hebben aangebracht, ongedaan maakt. Tot we tenslotte beseffen dat er in werkelijkheid helemaal niets veranderd is en we weer thuis zijn in de Hemel, waar we altijd al waren en die we nooit verlaten hebben. Dit is dus een proces van ongedaan maken, en helemaal niet van iets doen. En elke verandering die we tijdens het proces van het ongedaan maken van onze verkeerde overtuigingen lijken te ervaren, is even illusoir als de aanvankelijke gedachte aan verandering die ons uit de Hemel leek te verdrijven. Maar zolang we aan de overtuiging blijven vasthouden dat verandering mogelijk en werkelijk is, zolang zullen we verandering ervaren. En de enige keuze die we hebben is of we naar een verandering zoeken die schuld en afscheiding versterkt en ons nog verder van ons ware thuis lijkt te brengen, of een verandering die voortkomt uit het beoefenen van vergeving binnen onze wereldlijke relaties, die ons terug laat keren.