Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#001 Het Christelijk taalgebruik van de Cursus

 

Het lijkt alsof alle studies over God op een bepaald punt samenkomen; ze laten de afzonderlijke vormen achter zich en worden zuivere Waarheid. Ik heb moeite om hiermee om te gaan, want het impliceert dat de Christelijke vormen van de Cursus ...(vergeef me)... maar tijdelijk ‘bruikbaar’ zijn. Ik merk dat ik daarom steeds ongeduldiger word wat betreft het aanhoudend antropomorfisme (het geven van menselijke kwaliteiten aan geestelijke symbolen) van de tekst en dat ik een meer directe vorm fijner zou vinden. Natuurlijk heeft dit gevolgen voor mijn persoonlijke vooruitgang. Echter, niet voor mijn eerbied. Ziet u dit als iets normaals? Gaat dit over met de tijd? Is het alleen maar een strategie van het ego? Hoe kan ik hier het beste mee omgaan?

Antwoord: De Christelijke context van de Cursus is vanaf het begin een probleem geweest voor veel studenten. Zij hebben vaak dezelfde belangrijke vraag gesteld. Om je vraag te herformuleren: waarom komt een universele boodschap tot ons in zo’n specifiek religieus raamwerk? En kweekt het ontkennen van het universele van de specifieke godsdienst niet onvermijdelijk verdere afscheiding?

Inderdaad kan de Christelijke taal van de Cursus en de aanwezigheid van Jezus een grote uitdaging zijn voor veel studenten. Als hun ego een manier zoekt om het gedachtegoed van de Cursus ongeldig te maken of blokkades op te werpen voor het leren, dan kunnen Jezus en het Christendom behulpzame bondgenoten zijn in deze strijd tegen de waarheid. Aan de andere kant kan het vragen aan de Heilige Geest om hulp een ander klaslokaal introduceren, waarin je kunt leren om je speciaalheid te vergeven.

Alhoewel Een cursus in wonderen niet voorbehouden is aan een bepaalde culturele groep, kan niettemin gezegd worden dat hij zich in hoofdzaak op een westers publiek richt. Zijn taal, culturele aspecten en Freudiaanse, Platonische en Shakespeariaanse elementen spreken een lezer aan die uit de westerse traditie komt. En het is zeker zo dat de laatste 2000 jaar het Christendom een overheersende invloed heeft gehad op de westerse wereld, met Jezus als dominante figuur, ófwel als symbool van de Hemelse liefde ófwel van de ego liefde (en haat). Daarom zal er geen enkele westerse student zijn - Christelijk, Joods, agnost of atheïst - die niet op de een of andere manier beïnvloedt is door Jezus. Zo biedt het Christelijke raamwerk studenten de natuurlijke gelegenheid om hun vroegere ervaringen met Jezus als symbool te vergeven.

Uiteraard verdwijnen uiteindelijk alle specifieke symbolen in de Eenheid van God. Maar tot die tijd hebben we deze symbolen nodig om de kleine stappen van vergeving te zetten om de non-dualistische werkelijkheid te bereiken. Een werkelijkheid, die voorbij alle dualistische concepten en voorbij alle symbolen ligt. Zoals het Werkboek zegt: “God Zelf zal deze laatste stap zetten. Weiger de kleine stapjes niet die Hij jou vraagt naar Hem te zetten” (WdI.193.13:6,7). Het Christelijk antropomorfisme weerspiegelt dus onze eigen antropomorfe kijk op onszelf, aangezien we in waarheid geen lichaam of specifiek persoon zijn. We zijn niet-menselijke gedachten in de denkgeest.

Echter, zo lang we ons identificeren met de persoon wiens beeld we elke ochtend in de spiegel zien, hebben we een leerplan nodig dat symbolen gebruikt die ons iets leren in de toestand waarin wij denken te verkeren (T25.I.7.4). Het Christendom voorziet ons van zulke symbolen en voor het voordeel dat dit met zich meebrengt zouden we allen dankbaar moeten zijn.