Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

Het weerspiegelde beeld van heiligheid

Het weerspiegelde beeld van heiligheid

Vriendelijk zijn tegen ‘de gewone man’

 

Onderwijzen is demonstreren. Een cursus in wonderen is voor ons niet behulpzaam als hij niet kan worden nageleefd en gedemonstreerd, wat de betekenis van het ware onderwijzen is. (H.In.2) Jezus vraagt ons herhaaldelijk enkel dát te doen. Hij zegt in het Tekstboek bijvoorbeeld:

Onderwijs niet dat ik tevergeefs gestorven ben. Onderwijs liever dat ik niet gestorven ben door te demonstreren dat ik leef in jou. (T11.VI.7:3-4)

En in de Verklaring van Termen gaat hij nog verder door ons, in de derde persoon, te vragen om te worden zoals hij:

Jij bent Zijn [van de Heilige Geest] manifestatie in deze wereld. Je broeder [Jezus] roept jou op om samen met hem Zijn Stem te zijn. (VvT.6.5:1-2)

In het gedicht van Helen Schucman A Jesus Prayer’, reeds bekend bij de lezers van The Lighthouse, bidden we tot Jezus dat we mogen groeien om zoals hij te worden in de ogen van anderen:

A perfect picture of what I can be
You show to me, that I might help renew
Your brothers’ failing sight. As they look up
Let them not look on me, but only You.


(
The Gifts of God, p.83)

Een onberisp’lijk beeld van wat ik zijn

kan toont U mij, opdat ik helpen mag

vernieuwen al Uw broeders’ falend zicht.

Hun blik zij niet op mij, alleen op U.

(Vertaling RB, met behoud van het vijfvoetige, jambische metrum
van de blanke verzen in het oorspronkelijke gedicht.)

Zo demonstreren wij aan anderen de liefde die Jezus voor ons vertegenwoordigt. Deze liefde is het weerspiegelde beeld van de heiligheid van Christus, Gods ene Zoon. Daar Christus kan worden beschreven als volmaakte Heelheid en Eenheid, moet dit beeld alle mensen omvatten: vriend en vijand, heiligen en zondaars. Hoe worden wij dit weerspiegelde beeld en wat betekent het dat we dit moeten demonstreren? Dit artikel gaat op deze vragen in.

Het ego zoeken: verdringing ongedaan maken

We worden gemaand een weerspiegeling van heiligheid te zijn, niet alleen wegens de kennelijk helende werking daarvan op anderen (hen eraan herinneren dat zij hetzelfde juiste denken kunnen kiezen als wij gedaan hebben) maar ook omdat dat de manier is waarop we worden genezen. En toch lijkt het er niet altijd op alsof wij genezing nodig zouden hebben, omdat onze innerlijke ervaring van God, Jezus, licht, enz., zo fascinerend kan zijn dat ze iedere gedachte aan de noodzaak van het dagelijkse werk van vergeving overschaduwt, die het sine qua non [conditio sine qua non is de voorwaarde waar men niet buiten kan. RB] is voor het ongedaan maken van het ego. De kern van de beoefening van de Cursus ligt echter in onze dagelijkse ervaringen, die zich als het ware in de loopgraven van het ego voltrekken. Onze ‘gewone’ pijn en leed worden op deze manier net zo belangrijk als de ‘meer verheven’ ervaring van liefde, want ze zijn de instrumenten waarmee we onze diep weggestopte of verdrongen egogedachten van zonde en schuld, angst en haat ongedaan kunnen maken. Deze diepliggende egogedachten vormen de kern van onze moeilijkheden: de geheime vijanden die ongenaakbaar zijn omdat, verstopt door de macht van verdringing, hun identiteit geheim blijft.

Projectie maakt waarneming. (T21.In.1:1) We kijken eerst naar binnen en kiezen liefde of angst, vergeving of haat. De keuze is simpel, maar uit de simpele, foute keuze komt voor het ego een wereld voort van quasi oneindige combinaties van problemen en oplossingen. Maar ze blijven dezelfde illusies, daar er maar één vergissing bestaat. En zoals Jezus in het Tekstboek zegt:

Jij die gelooft dat God angst is, hebt slechts één enkele substitutie in het leven geroepen. Die heeft vele vormen aangenomen, want het was de vervanging van de waarheid door illusie, van heelheid door fragmentatie. Ze is zo versplinterd geraakt en onderverdeeld en keer op keer opnieuw verdeeld, dat het nu vrijwel onmogelijk is te zien dat ze ooit één was, en nog steeds is wat ze was. Die ene dwaling, die waarheid naar illusie, oneindigheid naar tijd, en leven naar de dood heeft gebracht, was het enige wat jij ooit hebt gemaakt. Heel je wereld rust hierop. Alles wat je ziet is er een weerspiegeling van, en elke speciale relatie die je ooit hebt gevormd maakt er deel van uit. (T18.I.4)

Niettemin, wanneer de oervergissing van de afscheiding zich uitdrukt in de vele vormen van onze speciale relaties, hebben we de gelegenheid om terug te keren naar het werkelijke probleem: de besluitnemende denkgeest die de afscheiding koos boven eenheid, schuld in plaats van liefde. Onze concentratie op de ervaring van eenheid en liefde kan daarentegen ook heel vaak het doel van het ego dienen. Die brengt zijn verdediging in stelling tegen de mogelijkheid dat we ooit naar de identificatie van de denkgeest met schuld zouden kijken. Jezus waarschuwt ons tegen de sterke verleiding om het ego te ontkennen door het te bedekken met spiritualiteit en liefde in onze speciale relaties:

Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt, en die te vinden. Het is niet nodig te zoeken naar wat waar is, maar wel naar wat onwaar is. … Als jij buiten jezelf naar liefde zoekt, kun je er zeker van zijn dat je vanbinnen haat ziet, en er bang voor bent. Vrede zal echter nooit voortvloeien uit de illusie van liefde, maar alleen uit haar werkelijkheid. (T16.IV.6:1-2, 5-6)

Dus, door aandacht te schenken aan onze verkeerde waarneming van anderen (met gebruikmaking van het oordeel van het ego dat gebaseerd is op verschillen, in tegenstelling tot de visie van de Heilige Geest die de inherente gelijkheid van Gods Zonen ziet) zal onze focus zich richten op de projecterende denkgeest die ons onze zonden in iedereen wil laten zien behalve in onszelf. Zonder de vele kansen voor vergeving die onze ‘kleine’ waarnemingen ons bieden, zou er geen mogelijkheid zijn om toegang te krijgen tot de denkgeest die de bron is van alle ervaringen. Het maakt niet uit of ze gezien worden als onbeduidend of veelbetekenend, profaan of heilig, ze zijn gelijk. Die koninklijke weg gaan, om maar de beroemde uitdrukking van Freud te gebruiken, leidt ons uit de wereld naar de denkgeest, van de projecties van onze schuld naar hun bron binnenin ons. Zodra onze aandacht weer naar binnen terugkeert (hetzij van grote of kleine projecties buiten ons) hebben we heel veel geleerd en kunnen met een gelukkig hart opnieuw kiezen. Maar als we ons niet bewust zijn van de beslissing vóór het ego, kunnen wij die ook nooit veranderen. Zo houdt het ego die beslissing buiten het bewustzijn, en dus schijnbaar voor altijd onveranderd:

Het ego heeft hier [de kritiek van de denkgeest op het advies van het ego om bescherming in het lichaam te zoeken] geen echt antwoord op omdat er geen is, maar het heeft wel een karakteristieke oplossing. Het wist de vraag [Waar kan ik voor bescherming heen?] uit het bewustzijn van de denkgeest. Eenmaal uit het bewustzijn verwijderd kan en zal de vraag onbehagen teweegbrengen, maar ze kan niet beantwoord worden omdat ze niet kan worden gesteld. (T4.V.4:9-11)

Doordringen tot in het verdringingsbolwerk van het ego (zijn oudste en machtigste) is een dwingende eis, als we er ooit van bevrijd willen raken. Deze dringende noodzaak wordt verder onderstreept door de onderkenning van het onlosmakelijk verband tussen verdringing en projectie. Freud was de eerste die hierop wees toen hij erachter kwam dat projectie onvermijdelijk wordt wanneer gedachten eenmaal in het onbewuste waren weggestopt. De schuld die wij kiezen niet te erkennen en daarom niet loslaten, maakt geen deel uit van onze bewustzijnsinhoud, en wordt dientengevolge noodzakelijkerwijs geprojecteerd. Zoals Jezus opmerkt in ‘Verzoening zonder offer’, de paragraaf waarmee hoofdstuk 3 van het Tekstboek begint, was het juist dit zich-niet-bewust zijn van schuld die de anders zo goedbedoelende Christenen ertoe bracht om een krankzinnige theologie te ontwikkelen die zo wreed voor henzelf en anderen bleek te zijn: zelfverloochening, vervolgingen, kruistochten en de Inquisitie. Ze wisten letterlijk niet wat ze aan het doen waren in hun vervolging van zondige lichamen (het hunne en dat van anderen), ketters en godslasteraars. Ze herkenden daarbij geenszins de projectie van hun eigen zelfbeschuldiging in de zonden die zij buiten zichzelf zochten. Jezus refereerde inderdaad hieraan toen hij zei: ‘Deze handelwijze is pijnlijk op kleine, en ronduit tragisch op grotere schaal.’ (T3.I.2:3) Jammer genoeg laat zowel de oude als moderne geschiedenis niet af voorbeelden aan te dragen van de pijnlijke en vaak tragische gevolgen die voortvloeiden uit een falend inzicht in het tweeledige mechanisme van verdringing en projectie.

Om deze pijnlijke, tragische stand van zaken ongedaan te maken, is het nodig dat we alle kansen aangrijpen die onze afgescheiden denkgeesten ons bieden in hun speciale relaties, zowel de belangrijke als de minder belangrijke, om onze dagelijkse vergevingslessen te beoefenen.

We moeten weinig zien, opdat we veel leren’

Datgene wat voorkomt dat we verstrikt raken in het egoweb van speciaalheid, is aandacht schenken aan de ‘kleine dingen’ van de wereld, niet alleen aan het leed (klein en groot) in onszelf, de kring van intimi en de wijde wereld, maar ook aan de alledaagse dingen die ons ergeren en onze vrede verstoren. Op deze manier wordt het doel van de lichamelijke pijn verlegd. Het ego heeft deze bedacht om ons af te leiden van de pijn van schuld en angst in de denkgeest. Welke zijn ontstaan uit het geloof in de afgescheidenheid van God. Ons doel richt zich nu op het leren van het principe van gedeelde belangen: we zijn één in lijden, schuld en angst, zoals we één zijn in de noodzaak verlost te worden uit pijn en naar huis terug te keren. Jezus spreekt aldus over de leraar van God:

Zijn geschiktheid bestaat louter hierin: ergens, op een of andere manier, heeft hij een doelbewuste keuze gemaakt, waarbij hij zijn belangen niet los zag van die van iemand anders. (H1.1:2)

Het is de behoefte om bepaalde mensen uit te sluiten van het Zoonschap (we zien de belangen van sommige mensen los van, indien niet vijandig tegenover, de onze) die het keurmerk van de speciale relatie is. Dit is wat Een cursus in wonderen beoogt te corrigeren. Het onderscheid dat Jezus ons leert tussen zogenaamde en ware empathie is inderdaad het verschil tussen de egogedachten van exclusiviteit en zijn allesomvattende vergeving die, zonder uitzondering, alle mensen omvat:

Het duidelijkste bewijs dat inleving zoals het ego die hanteert destructief is, ligt in het feit dat ze alleen op bepaalde soorten problemen en bij bepaalde mensen wordt toegepast. Deze kiest het uit, en daar verbindt het zich mee. En het verbindt zich nooit anders dan om zich te versterken. (T16.I.2:1-3)

Dus, gedurende de dag dienen we ons voortdurend
af te vragen:

Bekritiseer en beoordeel ik het gedrag van sommige mensen, terwijl ik precies dezelfde daden bij anderen over het hoofd zie? Voel ik het leed in duidelijk zichtbare slachtoffers en ga ik voorbij aan de verdrongen pijn van duidelijk zichtbare daders, terwijl ik daarbij vergeet dat slachtoffers en daders voor Jezus twee kanten van dezelfde medaille zijn, precies zoals genot en pijn één zijn?’ (zie T19.IVA.17:10-11) Ze voorzien allen in de behoefte van het ego om zijn denksysteem van afscheiding en verschillen werkelijk te maken, uitgedrukt in het onderscheid dat we altijd maken tussen aparte lichamen: individuele personen en groepen.

Beoefen ik vergeving in de ‘belangrijke’ speciale relaties in mijn leven, en tolereer ik de weerspannigheid van de denkgeest tot vergeven bij de ‘onbelangrijke, terloopse’ relaties uit mijn ervaring van alledag: bedienend personeel, chauffeurs, voetgangers of mensen in openbare ambten?’

In dit verband komt mij een van de grootste Duitse dichters in gedachten, Rainer Maria Rilke (1875-1926), die goed het belang begreep van het ‘kleine’ als je op zoek bent naar het ‘grote’. In de Zevende Elegie van zijn Elegieën van Duino, het toppunt van zijn genialiteit als dichter, schreef hij:

Aber ein Turm war groß, nicht wahr? O Engel, er war es, –

groß, auch noch neben dir? Chartres war groß –,

und Musik reichte noch weiter hinein und überstieg uns. Doch selbst nur eine Liebende –, oh, allein am nächtlichen Fenster … reichte sie dir nicht ans Knie – ?

Maar een toren was groots, nietwaar? O Engel, hij was het –,
groots, zelfs neven u? Chartres was groots –,

en muziek reikte nog hoger en steeg boven ons uit.

Maar zelfs een die liefhad –, O, eenzaam staand aan het nachtelijk venster … reikte zij niet tot uw knie – ?

Uit: Duineser Elegien, De Elegieën van Duino; vertaling: W.J.M. Bronzwaer

Rilkes engel is een volmaakt, bovennatuurlijk wezen dat min of meer overeenkomt met wat Een cursus in wonderen een Leraar der leraren noemt (H26.2:2). Even tussen haakjes: niet te verwarren met de engelen van het Christendom, zoals Rilke zelf heeft benadrukt. De boodschap van deze visionair is dat ons toegang wordt verleend tot deze verheven wezens. Dit gebeurt niet alleen via de diepzinnige, wijsgerige scheppingen van onze zeer geïnspireerde kunstenaars, maar ook via gevoelens van mededogen voor de ‘een die liefhad’, maar afgewezen werd door haar geliefde: Rilkes associatie met, onder anderen, de gevierde Venetiaanse dichteres uit de Renaissance, Gaspara Stampa. Ja, we kunnen God vinden in onze doodgewone, menselijke relaties, als we de op anderen geprojecteerde speciaalheid vergeven. Dus: ‘We moeten een weinig zien, opdat we veel leren.’ (WdI.161.4:8) Dat het belangrijk is om het doel van vergeving in alle dingen te zien (kleine en grote) wordt ook benadrukt in Les 29, ‘God is in alles wat ik zie.’

Het is zo gemakkelijk om verleid te worden door de grootsheid van vorm. Ja, grote kunstwerken, laat staan onze eerdergenoemde persoonlijke ervaring van God, de denkgeest, tijdloosheid, enz., hebben een dwingende manier om ons weg te leiden van de brongedachte van zulke ervaringen die ontsproten is aan de juist-gerichte denkgeest, namelijk: het besluit om te vergeven. Door toe te staan weggeleid te worden, distantiëren we ons van de oefening om oordeelloos naar het ego in actie te kijken, Jezus’ primaire definitie van vergeving en de meest dominante focus van zijn cursus:

Vergeving… is stil, en doet in alle rust niets. … Ze kijkt alleen, en wacht, en oordeelt niet. (WdII.1.4:1,3)

We kunnen daarom zeggen dat er geen rangorde naar moeilijkheid is in de uitbreiding van vriendelijkheid, want alle uitingen van vriendelijkheid zijn maximaal (zie T1.I.1). Verdringing, haar aard en doel gestand, maakt het bijzonder gemakkelijk voor het sluwe ego (het deel van ons dat graag ons wil zijn) om onze schuld te ontkennen door die te verstoppen achter het scherm van onze oefeningen. Hierop doelt The Song of Prayer wanneer het spreekt van vergeving-om-te-vernietigen en genezing-om-te-scheiden (S2.II; S3.I). En dus herkennen we vaak niet de subtiele manieren waarop onze onwil tot vergeving de kop opsteekt in kleine, beledigende opmerkingen of blikken, vaak bij zaken of personen die naar ons oordeel onbeduidend of onbelangrijk zijn. Jezus bespreekt het ontbreken van rangorde bij vergeving, opdat we een degelijk antwoord hebben op deze geraffineerde, maar zeer effectieve egotruc. In een van de paragrafen aan het begin van het Handboek voor Leraren brengt hij verschillende ‘niveaus van onderwijs’ ter sprake. Over onze ‘zeer terloopse ontmoetingen’ zegt hij het volgende:

De leraren van God hebben geen vastgesteld onderwijsniveau…. Het eenvoudigste onderwijsniveau lijkt heel oppervlakkig. Het bestaat uit wat zeer terloopse ontmoetingen lijken: een ‘toevallige’ ontmoeting van twee ogenschijnlijke vreemden in een lift, een kind dat niet uitkijkt waar het loopt en daardoor ‘toevallig’ tegen een volwassene aanrent, twee studenten die ‘zomaar’ samen oplopen naar huis…. Elk heeft de mogelijkheid in zich een onderwijs-leersituatie te worden. Misschien zullen de schijnbare vreemden in de lift naar elkaar glimlachen, misschien zal de volwassene niet tegen het kind uitvaren omdat het tegen hem is opgebotst, misschien zullen de studenten vrienden worden. Zelfs op het niveau van de meest terloopse ontmoeting is het mogelijk dat twee mensen hun afzonderlijke belangen uit het oog verliezen, al was het maar voor een moment. Dat moment zal volstaan. De verlossing is gekomen…. Gods leraren werken op verschillende niveaus, maar altijd met hetzelfde resultaat. (H3.1:1; 2:1-2, 4-8; 3:7)

Dus, vergeving heeft geen rangorde naar moeilijkheid. Daar er geen hiërarchie in illusies bestaat, in tegenstelling tot de eerste egowet van de chaos (zie T23.II.2:1-3), biedt iedere situatie en relatie waarin we ons bevinden dezelfde gelegenheid om onze projecties weer eens onder ogen te zien om zo de schuld bloot te leggen die zij beogen blijvend te verstoppen. Dit stelt ons in staat weer naar het egodenksysteem te kijken, onszelf te vergeven dat we het gekozen hebben, en opnieuw te kiezen. Als het niet om deze dagelijkse situaties ging (Freuds koninklijke weg) zouden we geen hoop op verlossing hebben: de verandering van de denkgeest die het eind van de droom en onze terugkeer naar huis aankondigt.

Deze oefening in vergeving vervult dan onze speciale functie (T25.VI) die we delen met allen die we ontmoeten of zelfs waar we aan denken. ‘De weerspiegeling van heiligheid’ in hoofdstuk 14 van het Tekstboek geeft een heldere uiteenzetting van deze functie: voorzien in de behoeften van ‘ieder[een] die onzeker, eenzaam, en in constante angst door de wereld dwaalt’ (T31.VIII.7:1), en hun de heiligheid aan te bieden die de rechtmatige erfenis van Gods Zoon is. Ik zal me concentreren op fragmenten uit de laatste vier alinea’s en ze gebruiken als raamwerk voor de rest van het artikel.

De spiegel schoonmaken

In deze wereld kun jij een vlekkeloze spiegel worden, waarin de Heiligheid van jouw Schepper van jou uitstraalt naar alles om je heen…. Je hoeft de spiegel slechts helder te houden en vrij van alle beelden van verborgen duisternis die jij erop getekend hebt…. Reinig slechts de spiegel en de boodschap die je uitstraalt van wat de spiegel aan eenieder te zien geeft, zal voor niemand onverstaanbaar kunnen zijn. (T14.IX.5:1,5; 6:5)

Nogmaals, zonder deze voorwerpen en een Leraar die ons helpt, zouden we voor eeuwig gedoemd zijn tot de egogevangenis van niet-vergevingsgezindheid. Deze niet-vergevende gedachten die zich vestigen binnen de speciale relatie, beschermen onze projecties tegen elke mogelijkheid tot heroverweging (zie WdII.1.2). Zo geloven we graag dat het probleem van onze ellende tot uiting komt in wat zich buiten de denkgeest afspeelt, een dwaling die we ons niet meer realiseren. De oplossing ligt in het veranderen van wat we buiten waarnemen in de denkgeestloze wereld lichamen.

Maar het probleem ligt niet in de geprojecteerde beelden die we in de spiegel waarnemen, maar in de spiegel zelf. Jezus’ uitdrukkelijke opdracht aan ons om slechts de spiegel te reinigen raakt de essentie van Een cursus in wonderen, namelijk: het ontkennen van de ontkenning van de waarheid (T12.II.1:5). Met andere woorden, Jezus leert ons niet de waarheid te bevestigen of diepe spirituele ervaringen na te streven, maar om liever te bekijken hoe onze denkgeest de waarheid heeft verloochend, en op die manier opnieuw te kiezen tegen ontkenning van het ego door het de rechtmatigheid van zijn aanwezigheid in onze heilige denkgeest te ontzeggen. Denk aan een filmprojector in een bioscoop. Als er een stofje op de lens valt, zal het zonder uitzondering als een zwarte vlek op het filmdoek zichtbaar worden in alle beelden van alle films. Het zou niet uitmaken of de film een groot Shakespeare drama was of een Bugs Bunny tekenfilm. Dezelfde zwarte vlek zou altijd voor de ogen van het publiek verschijnen, en er de aandacht op vestigen dat het vuiltje van de lens verwijderd dient te worden. Alleen een krankzinnige zou proberen de film of het filmdoek schoon te maken. Maar als men de zwarte vlek niet zag, zou men hoegenaamd niets van enig probleem afgeweten hebben. Dus, Jezus vraagt ons geen acht te slaan op onze waarneming van betekenisniveaus in relaties, en in allemaal dezelfde betekenis te zien. Reinig slechts de spiegel. En we weten dat de spiegel van onze denkgeest, vanwege ons oordeel van anderen, een schoonmaakbeurt nodig heeft. In het Tekstboek zegt hij ons:

Verdoeming is jouw oordeel over jezelf, en dit zul jij op de wereld projecteren. Zie haar als verdoemd, en het enige wat je ziet is wat jij gedaan hebt om de Zoon van God te pijnigen. Als je onheil en rampspoed ziet, heb je geprobeerd hem te kruisigen. Als je heiligheid en hoop ziet, heb jij je met Gods Wil verbonden om hem te bevrijden. Er is geen keuze tussen deze twee beslissingen in. En je zult de getuige zien voor de keuze die jij hebt gemaakt, en hieruit leren aflezen welke jij gekozen hebt. (T21.In.2:1-6)

Dit is de reden waarom Jezus in de beginlessen van het Werkboek zoveel tijd besteedt aan denkgeest-onderzoek. Immers, we kunnen niet een spiegel schoonmaken waarvan we niet weten dat we die hebben. Zo dringt hij, bijvoorbeeld in les 21, bij ons erop aan:

Onderzoek je denkgeest op al de vormen waarin aanvalgedachten zich voordoen, en houd ze elk even in je aandacht vast…. (WdI.21.4:1)

En, nogmaals, het zijn onze projecties van deze aanvalgedachten die ons laten zien wat we in onze denkgeest hebben verstopt, en ons de gelegenheid bieden om opnieuw te kiezen.

Het genezende licht

Als je maar één enkel ogenblik je bewust zou zijn van de helende kracht die Gods weerspiegeling, stralend in jou, heel de wereld brengen kan, dan zou je niet kunnen wachten om de spiegel van je denkgeest schoon te maken om er het beeld van de heiligheid in op te vangen die de wereld geneest. … Allen brengen hun verschillende problemen naar zijn genezend licht, en al hun problemen vinden daar niets dan genezing. (T14.IX.7:1,4)

We leren dat Wanneer ik genezen word, word ik niet alleen genezen (WdI.137), wat een belangrijke, onderliggende premisse van Een cursus in wonderen weergeeft:

Eén broeder is alle broeders. Elke denkgeest omvat alle denkgeesten, want elke denkgeest is één. (WdI.161.4:1-2)

Er is slechts één stofdeeltje in onze denkgeest (het besluit voor schuld), en dus is er maar één probleem dat ons in de wereld tegemoet treedt (de projectie van onze schuld). De vormen waarin dit probleem aan de dag treedt, doen niet ter zake, net zo min als de verschillende films met het geprojecteerde ‘plekje duisternis’ (T31.VIII.12:5) op het doek. Dit is de reden waarom alle relaties ‘heilige ontmoetingen’ zijn; de ene is niet groter of kleiner dan de andere. Verlossing is totaal, of ze is er helemaal niet. Bijgevolg zegt Jezus ons in het Tekstboek:

Telkens wanneer jij iemand ontmoet, bedenk dan dat het een heilige ontmoeting is. Zoals je hem ziet, zie jij jezelf. … Vergeet dit nooit, want in hem zul jij jezelf vinden of verliezen. Telkens wanneer twee Zonen van God elkaar ontmoeten, wordt hun een nieuwe kans op verlossing geboden. Ga nooit bij iemand weg zonder hem verlossing gegeven en die zelf ontvangen te hebben.
(T8.III.4:1-2, 5-7)

Ga bij niemand weg’, want dat zou betekenen dat we onszelf buiten het Koninkrijk laten. Eén probleem, één oplossing (WdI.80.1:5): de keuze van de denkgeest voor het ego is het probleem, ongeacht de vorm waarin het tot uiting komt; de keuze van de denkgeest voor de Heilige Geest is de oplossing, ongeacht de vorm waarin ze tot uiting komt. Wat zou eenvoudiger kunnen zijn? De specifieke kenmerken van ons leven zijn slechts in zoverre belangrijk als ze ons ertoe brengen de algemene stelregels te leren die het gefragmenteerde Zoonschap heel maken. Dit is het principe dat ten grondslag ligt aan de beoefening van het Werkboek, zoals dat in de Inleiding staat:

Het doel van het Werkboek is je denkgeest systematisch te trainen in een andere waarneming van alles en iedereen in deze wereld. De oefeningen zijn ontworpen om je te helpen de lessen te veralgemenen, zodat je gaat begrijpen dat ze elk evenzeer toepasbaar zijn op je waarneming van alles en iedereen. … Maar sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat… . (WIn.4; 9:4)

Het is de verleiding om ‘uitzonderingen te maken’ die het wapen van het ego vormt. Het wapen dat ons ervan overtuigt dat kleine ergernissen, gerechtvaardigde oordelen en onheuse bejegening van ‘onbelangrijke’ mensen wel door de beugel kunnen, mits we maar gefocust blijven op onze ‘belangrijke’ speciale relaties. Maar als verlossing totaal is, wat kunnen deze compromissen anders betekenen dan dat we niet oprecht en toegewijd verlossing nastreven. Angst belet ons nog steeds om de weerspiegeling van liefde te zijn, wat een absolute vereiste is om te worden wat we weerspiegelen.

Niettemin roept het licht van de heiligheid van Christus nog steeds. Doordat we het licht zien van het gemeenschappelijke dat Gods Zoon één maakt, is het onze ingeboren aantrekking van licht tot licht (die de wereld werkelijk geneest en de met schuld bevlekte plekken van duisternis oplost) die de ziekte van de afscheiding in stand houden binnen de verstoorde denkgeest van hen die niet in de gaten hebben dat ze slapen. Echter, hun sombere dromen kunnen niet lang het licht verbergen dat de Zoon van God is en hem heelt als één. Het maakt ook zachtjes en geleidelijk een eind aan de illusiegedachten van zonde, schuld en angst en herstelt de herinnering aan God Wiens Liefde wij hebben weerspiegeld.

De weerspiegeling worden

Zij die geleerd hebben uitsluitend genezing te bieden, vanwege de weerspiegeling van de heiligheid in hen, zijn eindelijk klaar voor de Hemel. Daar is heiligheid geen weerspiegeling, maar daarentegen de daadwerkelijke toestand van wat hun hier slechts weerspiegeld werd. God is geen beeld, en als deel van Hem dragen Zijn scheppingen Hem in waarheid in zich. Ze weerspiegelen niet enkel de waarheid, ze zijn de waarheid. (T14.IX.8:4-7)

De herkenning van de waarheid in deze passage geeft ons de gelegenheid om van de weerspiegeling te gaan naar datgene wat weerspiegeld wordt: onze Bron Zelf. Dit is de transformatie waar Jezus ons naartoe leidt. Tegelijkertijd houdt hij geduldig rekening met onze angst. Hierdoor beoordeelt hij ons niet vanwege onze flauwe, onbehouwen tactieken om liefde op een afstand te houden door bepaalde leden van het Zoonschap van onze vergeving uit te sluiten. Toch herinnert hij ons er zachtjes aan welke grote vreugde we onszelf werkelijk ontzeggen. Hij moedigt ons aan naar zijn woorden te luisteren die ons vertellen dat de enige vereiste om deze omslag te bewerkstelligen is om iedereen mee te nemen en niemand uit te sluiten.

In een ander gedicht van Helen Schucman, ook reeds bekend bij de lezers van Lighthouse, lezen we:

Christ passes no one by. By this you know

He is God’s Son. You recognize His touch

In universal gentleness. His Love

Extends to everyone. His eyes behold

The Love of God in everything He sees.


(The Gifts of God, p.95)

De Christus gaat geen mens voorbij. Herken

hieraan Gods Zoon, en aan Zijn aanraking

van tederheid doordrenkt. Zijn Liefde breidt

zich uit tot iedereen. Zijn oog aanschouwt

de Liefde Gods in alles wat Hij ziet.

(Vertaling RB, met behoud van het vijfvoetige, jambische metrum
van de blanke verzen in het oorspronkelijke gedicht.)

Dus, als we ons onze Bron en ons thuis in Zijn Liefde willen herinneren, moeten we ook voor ogen houden dat we eerst Zijn weerspiegeling dienen te zijn. Volgens de Cursus wordt de Hemelse Eenheid weerspiegeld door het inzicht dat het doel van vergeving met alle mensen wordt gedeeld. Het kan niet anders dan dat onze genezen denkgeest die genezing naar allen uitbreidt, anders kan ze geen ware genezing zijn. We moeten de zachte genezing van de liefde uitbreiden naar alle mensen, de hele tijd door, onder alle omstandigheden. In de volgende, mooie passage uit The Song of Prayer lezen we de beschrijving van de essentie van genezing.

Als getuige van vergeving, hulp bij gebed en het effect van waarlijk geschonken genade, is genezing zegenen. En de wereld, tot leven gewekt, antwoordt in koor door de stem van gebed. Vergeving schijnt genadige verlossing over elke grasspriet, gevederde vleugel en al het leven op de aarde. Angst vindt hier geen toevluchtsoord, want liefde is gekomen in al haar heilige eenheid. Tijd blijft alleen maar om de laatste omarming van gebed even te laten rusten op de aarde, terwijl de wereld weggeschenen wordt. Dit ogenblik is het doel van alle ware genezers, aan wie de Christus onderwezen heeft Zijn gelijkenis te zien en te onderwijzen zoals Hij. (S3.4.2; vertaling RB.)

Jezus roept ons op de weerspiegeling van deze heilige eenheid te zijn, door de uitbreiding van zijn liefde naar ‘elke grasspriet, gevederde vleugel en al het leven op de aarde’. Deze prachtige symbolen drukken de eenheid van zijn liefde uit, terwijl ze een wereld zegent die nog te angstig is om de ogen te openen en te ontwaken uit de droom des doods. Onze tuin, vergeven van het onkruid van individualiteit en speciaalheid, is nu herboren om allen die lijden te verwelkomen in liefhebbende uitbreiding terwijl we ons ‘uitstrekken naar eenieder die naar levend water dorst, maar die te moe werd om alleen verder te gaan.’ (T18.VIII.9:8) Zoals onze oudere broeder zelf gekozen had, kiezen nu ook wij niet langer de waarheid van de liefde te weerspiegelen, maar zelf die waarheid te worden. En die liefde, gespeend van elke vorm van onderscheid, laat slechts de eenheid achter die de onze was toen we werden geschapen; een eenheid waarnaar we nu vol vreugde terugkeren. We laten niemand achter terwijl we geleid worden door de weerspiegeling van het licht dat tevens ons ware Zelf is, de eindbestemming van de reis.
 

Onze Liefde wacht ons nu we naar Hem toegaan, en vergezelt ons om ons de weg te wijzen. Hij schiet in niets tekort. Hij is het Einddoel dat we zoeken, en Hij het Middel waardoor we tot Hem gaan. (WdII.302.2)

Kenneth Wapnick, Ph.D.

Vertaling: Ronald Belfor

Uit The Lighthouse, Nieuwsbrief van de Foundation for ACIM, Jaargang 18,
Nummer 3, September 2007.