Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

Het booggewelf van vergeving

Het booggewelf van vergeving

Een van de centrale thema’s van Een cursus in wonderen, een thema dat in het Werkboek het duidelijkst tot uiting komt, is dat Jezus van ons vraagt dat we ons leven in het kader van vergeving plaatsen. Vanaf het moment dat je wakker wordt tot het ogenblik dat je gaat slapen, dien je voor ogen te houden wat – volgens de juiste gerichtheid van denken die dag de bedoeling is.

Je zit als het ware in een klaslokaal waar je de lessen van de Heilige Geest aan het leren bent, lessen over het ongedaan maken van schuld door vergeving. Zo lees je in de Cursus bijvoorbeeld:

Zorg ervoor dat je de dag zowel begint als eindigt met een oefenperiode. Op die manier zul je ontwaken met de erkenning van de waarheid over jezelf, deze de hele dag door versterken, en inslapen met de herbevestiging van je functie en je enig doel hier.’ (WdI.61.6:1-2)

En in de afsluiting van het Handboek voor leraren staat een vergelijkbare oproep die je aan dat dagelijkse doel helpt herinneren:

Als je er een gewoonte van maakt waar en wanneer je kunt hulp te vragen, dan kun je erop vertrouwen dat wijsheid jou gegeven zal worden wanneer je die nodig hebt. Bereid je hier elke morgen op voor, herinner je God door de dag heen wanneer je kunt, vraag de Heilige Geest om hulp wanneer dat doenlijk is, en dank Hem ’s avonds voor Zijn leiding.’ (H29.5:8-9)

Zonder de aanwezigheid van de Heilige Geest in je leven worden je dagen geregeerd door je ego, dat je onverbiddelijk gebiedt zijn onverzadigbare bestaanshonger te stillen. Met andere woorden: alles is gericht op het vervullen van de talloze en uiteenlopende behoeften die volgens het ego voor je voortbestaan noodzakelijk zijn, hetgeen uiteraard betekent: voor het voortbestaan van het ego noodzakelijk zijn. Die behoeften lopen uiteen van de basale fysieke levensbehoeften – zuurstof, water, voedsel, onderdak, rust – tot en met de psychologische behoeften, alles waar je naar hunkert vanuit de haast oneindige behoefte aan speciaalheid. Sterker nog: vanaf het moment dat je wakker wordt, staat je aandacht onder bevel van de drang aan al die verschillende behoeften te voldoen. Naarmate je ouder wordt, gaan die lichamelijke behoeften een grotere rol spelen doordat je lichaam langzaam – en soms helemaal niet langzaam – aftakelt en steeds meer aandacht, zorg, tijd en inspanning vraagt.

Denken vanuit schaarste

Er bestaat, binnen het kader van die behoeftigheid, geen duidelijker symbool van de hopeloosheid van het lichaam dan de behoefte aan adem. Het aan het denksysteem van het ego inherente tekort wordt geprojecteerd op het lichaam, dat voortdurend gebrek aan zuurstof heeft. Je ademt het molecuul waar je leven van afhangt in, maar herhaalt die ademhaling twintig of dertig seconden later weer, en weer, en weer, en weer, totdat bij de dood de ademhaling geheel en al stopt. Datzelfde proces zie je natuurlijk ook bij eten en drinken, hoewel de frequentie daarbij wat lager ligt.

Op het psychologische vlak van onze speciale relaties zie je diezelfde dynamiek van denken vanuit schaarste: een praktisch niet te stillen behoefte aan liefde, aandacht en goedkeuring.

Daaruit kun je concluderen dat je je in je wakende leven voortdurend druk maakt om de vraag hoe je ergens zelf beter van wordt, vaak ook nog ten koste van anderen. En dat alles dient de verborgen doelstelling van het ego prima, namelijk het handhaven van je afgescheiden bestaan. Intussen stelt het anderen voortdurend verantwoordelijk voor jouw geluk of ongeluk. De strategie van het ego houdt bovendien in dat je voortdurend in een toestand van waanzin (je lichaam) door het leven gaat, waarbij je aandacht uitgaat naar alles behalve je denkgeest, en de oorspronkelijke keuze voor het ego verscholen blijft onder de versluierde krochten der vergetelheid. Die beslissing kan nooit worden teruggedraaid, want in die waanzin weet je niet meer dat je een denkgeest hebt, laat staan dat je ervoor kunt kiezen het denksysteem van het ego te corrigeren.

Van de ene behoefte naar de ander

In deze wereld van onvervulde behoeften - afhankelijkheid en kannibalisme (speciale liefde), oordeel en aanval (speciale haat) – schijnt een licht dat van buiten de grenzen van het lichaam komt, vanuit de denkgeest die de afspiegeling van dat Licht een thuis biedt. Het is de oproep gelukkig en blij te zijn, geboren uit de pijn die het onvermijdelijke gevolg is van een leven van afgescheidenheid, lijden en verlies. Eindelijk heb je ingezien hoe doelloos het is om te leven van de ene behoefte naar de andere, de ene na de andere te vervullen of steeds opnieuw dezelfde behoefte te voelen zodra je haar gestild hebt. Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een andere manier moet zijn. (T2.III.3:5-6) En daarmee sta je toe dat het licht van die ‘betere manier’ je denkgeest binnenkomt en de schuld ongedaan maakt die de bron van je pijn is.

In antwoord op je roep om hulp, krijg je van de Heilige Geest te horen dat het probleem niet is dat de wereld niet aan jouw behoeften voldoet, en evenmin is het probleem de behoefte die je denkt te hebben. Je ontdekt daarentegen tot je verbazing dat het probleem zit in het concept behoeftigheid op zich, dat een afspiegeling is van het geloof in afgescheidenheid. Jezus houdt ons voor dat het probleem niet zit in wat je denkt maar dat je denkt op zich (T31.V.14:3-4) Zo ligt ook het probleem niet zozeer in je specifieke behoeften als wel in je geloof dat je behoeften hebt. Met andere woorden: omdat de behoeften pas ontstaan na de afscheiding (en voor hun bestaan afhankelijk zijn van gedachtes van afgescheidenheid),
wordt het oorspronkelijke probleem veroorzaakt door de overtuiging dat je je hebt losgemaakt van je Schepper en Bron. Zoals je ook kunt lezen in de eerste bladzijden van de tekst:

Tot aan de ‘afscheiding’ – wat de betekenis is van de zondeval – ontbrak het aan niets. Er waren helemaal geen behoeften. Behoeften ontstaan alleen wanneer je jezelf iets ontzegt. Je stemt je handelingen af op de specifieke rangorde van behoeften zoals jij die opstelt. En die hangt op zijn beurt op zijn best af van jouw beeld van wat jij bent. (T-1.VI.1:6-2:1).

Het gevoel om van God afgescheiden te zijn, is het enige gebrek dat je echt dient te corrigeren… Het idee van een rangorde van behoeften is ontstaan doordat jij, toen je eenmaal die fundamentele dwaling had begaan, jezelf al had opgedeeld in niveaus met verschillende behoeften.’ (TI.VI.1:6-2:1,3)

Niets anders dan vergeven

En dan ga je je die dag op iets anders richten. Want je zoekt de bevrediging van je behoefte aan speciale liefde of haat niet langer in de wereld of het lichaam.

De bron van het probleem ligt in je denkgeest, en daar moet je dus ook de oplossing zoeken. Jezus gaf dat proces, het verleggen van je aandacht van het lichaam naar de denkgeest, de naam vergeving en daarom stelt hij ook dat ‘het enige zinvolle gebed het gebed om vergeving is, omdat wie vergeven is alles heeft’ (T3.V.6:3) Dus je hoeft niets anders te doen dan vergeven, want dat corrigeert de doelstellingen van het ego, namelijk: voldoen aan de behoeften die door je speciaalheid worden opgewekt. En vergeving geeft je de ruimte om je rijkdom als kind van God te herinneren.

Er wordt dus van je gevraagd dat je anders naar de wereld gaat kijken, zodat je niet meer het met schuld beladen principe van het ego – de een of de ander – ziet, maar de schuldeloze visie van de Heilige Geest: samen of helemaal niet.

Het vaststaand resultaat van de les dat Gods Zoon schuldig is, is de wereld die jij ziet. Het is een wereld van verschrikking en vertwijfeling. En ze biedt geen enkele hoop op geluk… Het resultaat van de les dat Gods Zoon schuldeloos is, is een wereld zonder angst waarin alles door hoop wordt verlicht en sprankelt van een milde vriendelijkheid (T31.I.7:4-6;8:1).

Die omslag wordt mooi beschreven in een stuk van Helen Schucmans gedicht ‘Transformation’ (pag. 64):

The trivial

Enlarge in magnitude, while what seemed large

Resumes the littleness that is its due.

The dim grow bright, and what was bright before

Flickers and fades and finally is gone.

(The gifts of God)

Het triviale

wordt groter en wat groot was

wordt weer het luttele dat hem toekomt.

Het duistere, vage gaat schitteren en wat schitterde

flakkert en vervaagt en verdwijnt uiteindelijk.

Het triviale staat voor de wereld van het ego, de wereld van schuld en speciaalheid, die in het niet valt bij de wereld van de Heilige Geest, de wereld van vergeving en het gezamenlijke doel, dat dan zijn terechte gewicht en statuur weer krijgt toegekend. Dit is de omslag die je als mens bijna altijd meemaakt in je relaties, die beginnen vanuit een egoscenario waarbij je probeert anderen te vangen –zoals een spin zijn prooi vangt in zijn dodelijke en verleidelijke web – om daarmee te voldoen aan de behoefte (die ieder mens heeft) aan slachtoffers door anderen te duperen. Maar ondertussen een onschuldig gezicht opzetten en zelf het kind van de rekening te spelen.

De omslag die Jezus ons mensen – voor ons eigen geluk – voorlegt, houdt in dat we onze speciale relaties verlossen van de behoefte om aan te vallen en te oordelen. Dus in plaats van hem of haar te verleiden om in je netten te verstrikken, nodig je je – tot dan toe speciale – partner uit om samen met jou onder het booggewelf van vergeving plaats te nemen. Daarmee maak je het denksysteem van het ego, het denken in afgescheidenheid en behoeften, ongedaan en heb je de lessen van vergeving geleerd. Vooruitlopend op wat we verderop bespreken, zou je de tekst kunnen parafraseren door te zeggen dat je, bij het ongedaan maken van je oordelen, Jezus de leiding over je ego geeft, opdat hij je in gedachten, woord en daad tot liefdevolle reacties brengt. (T2.VI.1:3)

Symbool voor beschermende liefde

Dit artikel is geïnspireerd door het beeld van een boog, die later veranderde in een regenboog, een beeld dat door D.H. Lawrence onsterfelijk werd gemaakt in The Rainbow, zijn schitterende roman over het leven en de liefde van een in Engeland woonachtige familie die zich over drie generaties uitstrekt. Lawrence beschrijft de beschermende liefde waarin dochter Anna kan opgroeien nadat haar ouders, Tom en Lydia Brangwen, de eerste twee hoofdpersonen uit het verhaal, hun wankele huwelijksrelatie genezen hebben. Anna’s leven wordt omkaderd door de pijlers van liefde en kracht, symbool voor de liefde en kracht van haar ouders.

Nu had Anna’s ziel rust tussen die twee. Ze keek van de een naar de ander zag de pijlers die haar geborgenheid boden en was vrij. Vol vertrouwen speelde ze tussen de pijler van vuur en de pijler van lucht (wolken), met zekerheid aan haar rechterkant en zekerheid aan haar linkerkant. Ze hoefde niet langer uit alle macht die ze als kind kon opbrengen de kapotte uiteinden van de boog omhoog te houden. Nu kwamen haar vader en moeder in de hemelboog bijeen. En zij, het kind, was vrij om te spelen, daaronder, daartussen.’

Jezus vraagt dus van ons dat we onze dag omkaderen met deze pijlers van vergeving, zodat die begint en eindigt met hetzelfde: een beeld van rustige kracht en zachtmoedige geborgenheid die ons bestaan voedt en het leren bevordert. Dan is ieder moment vervuld van de ene genezende gedachte en ga je van het duister naar het licht, van verdriet naar vreugde, van pijn naar vrede, van zonde naar heiligheid – en rust je met het hele Zoonschap onder de hemelen en het booggewelf van zijn liefde.

Onder het booggewelf van Jezus’ liefde

Het resultaat van die omslag – van een leven van speciaalheid buiten het booggewelf naar een leven binnen die beschermende ommuring – is een omslag in je waarneming die door vergeving wordt bewerkstelligd onder Jezus’ liefde die zich welwillend boven je uitstrekt en allen die daarbinnen staan, tussen de sterke pijlers van vergeving, beschutting biedt. Wat een veiligheid, wat een geborgenheid en liefde voel je dan, en wat een ruimte is er om anderen lief te hebben en bijstand te verlenen aan hen die lijden! Door vergeving zijn de obstakels weggenomen zodat de liefde weer kan stromen en blijft er niets anders over dan de zegen die het uitbreiden en geven van liefde met zich meebrengt, voor jou en voor de erbarmelijke wereld. Onder dit booggewelf van liefde ben je vrij, geen slaaf meer van je behoeften. Je kunt zonder spanning en angst door het leven gaan, hoeft je niet meer te wapenen met het zwaard van het oordeel: eindelijk is de vrede van God de jouwe.

Hoe ongenadig de wereld je ook behandelt, wanneer je eenmaal tussen de pijlers van vergeving leeft, hoor je niets dan de klaaglijke roep om hulp van de mensen die jou proberen buiten te sluiten. Je ziet een aanval als een beperking die vraagt om correctie, niet om straf. En zo maak je de ogenschijnlijke aanvallen van je ‘vijanden’ ongedaan door hun uitsluiting zachtmoedig te corrigeren met jouw insluiting, en ze te verwelkomen in de plaats die ze toekomen naast jou onder de boog. Dat welkom komt ook naar voren in Edwin Markhams eenvoudige dichtregels over de alomvattende aard van de liefde, regels die Amerikaanse lezers zich wellicht herinneren uit hun middelbare schooltijd:

He drew a circle that shut me out…

Heretic, rebel, a thing to flout.

But love and I had the will to win;

We drew a circle that took him in!

Hij trok een cirkel die mij buitensloot…

Als ketter, rebel, iets wat tot spotten noodt.

Maar liefde en ik hadden de wil om te winnen;

We trokken een cirkel en haalden hem binnen!

Je zou daarom kunnen zeggen dat, en hier parafraseer ik de bekende regel uit de tekst (T20.IV.6:5), de ark van vrede twee aan twee wordt betreden, doordat je je partner in de speciale liefde en de speciale haat bij jou uitnodigt onder de liefde die jou beschermt in de tempel van de Heilige Geest.

De vrede die Hij [de Heilige Geest] diep in jou en in jouw broeder heeft neergelegd, zal zich in stilte tot ieder aspect van je leven uitbreiden, en jou en je broeder omringen met een gloed van geluk en het vredige besef van volledige bescherming. En jij zult haar boodschap van liefde en geborgenheid en vrijheid naar eenieder uitdragen die jouw tempel nadert, waar hem genezing wacht… Je zult hem binnenhalen en hem rust geven, zoals die jou gegeven werd.’
(T19.IV.1:6-7,9)

Je oren worden gereinigd door de heilzame liefde van boven en eindelijk hoor je de gepijnigde roep van eenieder die ‘onzeker, eenzaam en in constante angst door de wereld dwaalt’ (T31.VIII.7:1)

En daar hoor jij bij, want niemand ontkomt aan de marteling van het bestaan behalve onze Schepper en Bron, en eenieder roept om een troostende hand die hen naar huis leidt:

Er is niets wat jou niet roept met een zacht verzoek jouw vriend te mogen zijn, en zich met jou te mogen verbinden. En nooit blijft een oproep ongehoord, onbegrepen of zonder antwoord… En je zult begrijpen dat dit de oproep was die iedereen en alles in de wereld altijd al heeft gedaan… De zachte, eeuwige roep van elk deel van Gods schepping tot het geheel wordt over heel de wereld gehoord.’ (T31.I.8:2-4,8)

Je thuis vinden

Het leven binnen dat booggewelf, tussen de pijlers van vergeving en onder Jezus’ liefde, – wordt gekenmerkt door acceptatie. Een belangrijke eigenschap van allen die hier hun thuis vinden. Weg is de behoefte aan controle en manipulatie, de behoefte te tobben en te plannen, de angst voor een toekomst die vast en zeker nog slechter wordt dan het verleden. Daar komt een rustige zekerheid voor in de plaats, een zekerheid die voortkomt uit het besef dat niets van buiten de omheining – de gefragmenteerde, van haat vervulde wereld der duisternis – van invloed kan zijn op de heilige zonen van God die zich in dit heiligdom bevinden. Ze hoeven niets en niemand te controleren of in de hand te houden, want ze weten dat er geen gevaar bestaat. Vanuit die beschermende liefde kijken ze om zich heen en zien de zelfhaat en de doodsangst van eenieder die als uitgestotene door de wereld gaat,

‘… dakloos en bang… zo ver van huis en zo lang al rondzwervend dat hij niet beseft dat hij vergeten is waarvandaan hij kwam, waarheen hij gaat en zelfs wie hij werkelijk is… Hij zwerft voort, zich bewust van de nutteloosheid die hij overal om zich heen ziet, terwijl hij merkt hoe het weinige dat hij heeft alleen maar slinkt, terwijl hij voortgaat op weg naar nergens…Hij lijkt een zielige figuur, vermoeid en afgetobd, in vodden gehuld en met bloedende voeten, geschramd door de rotsige weg die hij bewandelt. Er is niemand die zich niet met hem vereenzelvigd heeft, want iedereen die hier komt heeft het pad gevolgd dat hij volgt, en heeft mislukking en hopeloosheid gevoeld zoals hij die nu voelt.’ (WdI.166.4:3-4;5:4;6:1-2)

Verlost van egostreken

Wie voelt zijn hart niet uitgaan naar zo’n gepijnigd figuur, met name in het besef dat je zelf ook zo gepijnigd wordt? En wie zou hem niet troostend in de armen sluiten, en fluisteren dat het alles goed is omdat God met hem is, ook al voelt hij zich zo bitter eenzaam? Zo troost Jezus ons, zijn kindjes, en roept hij ons zachtmoedig op tot het leven onder zijn booggewelf van liefde. Je komt er als klein kind, maar eenmaal daar, zo behaaglijk tussen de sterke pijlers van vergeving en gevoed door de zachtmoedige liefde onder dat gewelf, groei je langzaam op, want je bent verlost van de krachten van de angst die vlak buiten die beschermende omheining werkzaam zijn. Zo ben je weliswaar niet thuis maar wel veilig onderdak en, net als de kleine Anna in de roman van Lawrence, verlost van de gemene streken van het ego. Ben je ergens waar je kunt spelen onder de hoede van je lieve oudere broer, die je met zijn rustige kracht de vrijheid geeft om te groeien, zonder angst voor straf en zeker van de liefde die je naar je Vader leidt. Dit concept, het opgroeien vanaf je prille jeugd, wordt mooi weergegeven in de passage waarin de symboliek van Kerstmis en Pasen geïntegreerd is.

Het prille begin van de verlossing wordt zorgvuldig door de liefde bewaakt, en gevrijwaard van iedere gedachte die haar wil aanvallen, en wordt er rustig op voorbereid de machtige taak te vervullen waarvoor ze jou gegeven werd. Je pasgeboren bedoeling wordt door engelen met zorg omringd, door de Heilige Geest gekoesterd en door God Zelf beschermd… Welk gevaar kan de volkomen onschuldige belagen? Wat kan de schuldelozen aanvallen? Welke angst kan de vrede van de zondeloosheid binnendringen en verstoren?... Kijk naar dit kindje, aan wie jij een rustplaats geeft door je broeder te vergeven, en zie in Hem de Wil van God. Hier is het kind van Bethlehem herboren. En ieder die hem onderdak verleent zal hem volgen, niet naar het kruis, maar naar de opstanding en het leven.’ (T19.IV-C.9:3-4;10:1-3,7-9)

Zo heeft vergeving je een kalme zekerheid gegeven over wie je bent en Wie van je houdt:

Bedenk wat er wordt gegeven aan hen die hun Vaders doel (vergeving) delen, en weten dat dit het hunne is. Ze komen niets te kort. Ieder soort verdriet is ondenkbaar. Alleen het licht dat ze liefhebben is in hun bewustzijn en alleen liefde straalt hun eeuwig toe… een volmaakte rust en een gevoel van liefde zo intens en kalm dat geen greintje twijfel je zekerheid ooit verstoren kan.’ (T23.IV.8:1-4,8)

Hier, in de stilte, je doel vervuld, vind je vrede en rust, die je alleen tegen een zeer hoge prijs nog kunt verlaten wanneer je ze eenmaal gevonden hebt. De pijn van de stap buiten het booggewelf is enorm als je eenmaal die liefde en vrede gevoeld hebt. Je kent de eerste symptomen maar al te goed: ‘… een steek van pijn, een knagend schuldgevoel en bovenal een verlies aan vrede.’ (T23.IV.6:3) Wie, behalve een krankzinnige, zou ooit de onrust van de schuld verkiezen boven het van vrede vervulde leven onder het booggewelf van liefde? Wie, behalve een masochist, zou ooit een leraar die leugens onderwijst verkiezen boven de leraar die de waarheid onderwijst? Of, zoals Jezus het stelt:


‘… wie zou zijn vertrouwen stellen in het schamele aanbod van het ego wanneer de gaven van God voor hem worden neergelegd?’ (M-4.I.2:3)

Juist het troostende gevoel van die liefdevolle armen om je heen is een voortdurende aanmoediging die liefdevolle omarming tot alle mensen uit te breiden. Het doet pijn om onder dat booggewelf weg te lopen, temeer daar je de vrede onder die koepel van liefde gekend hebt. Je weet dat je uit die heilzame sfeer getreden bent zodra je ook maar één persoon van dat booggewelf van vrede probeert uit te sluiten. Luister dan, en je hoort Jezus die je toeroept:

Mijn broeders in de verlossing, laat niet na mijn stem te horen en naar mijn woorden te luisteren. Ik vraag niets anders dan jullie eigen bevrijding. Er is voor de hel geen plaats in een wereld waarvan de lieflijkheid zo intens en alomvattend kan zijn, dat het van daar naar de Hemel nog maar een stap is. Naar jullie vermoeide ogen breng ik een visie van een andere wereld, zo nieuw en zuiver en fris, dat jullie de pijn en smart die jullie voordien zagen, zullen vergeten. Dit is echter een visie die jullie dienen te delen met ieder die je ziet, want anders zul je die zelf niet zien. Deze gave geven is de manier om ze de jouwe te maken. En God heeft, in liefdevolle goedheid, beschikt dat ze voor jullie is.’

(T31.VIII.8)

Wij worden zijn handen en voeten

En zo worden wij mensen Jezus’ boodschappers op aarde, we bewandelen de aarde zoals hij dat deed, en vanuit het booggewelf roept onze liefde allen die het nog niet weten deel te hebben aan zijn visie van Gods ene Zoon. Zo worden we daadwerkelijk zijn stem, zijn ogen, zijn voeten en zijn handen waarmee hij de wereld verlost van het lege en zinloze bestaan buiten zijn booggewelf van vergeving. Zoals Jezus ooit de aarde bewandelde, als manifestatie van de Verzoe-ning van de Heilige Geest, doen wij dat nu, als vertegenwoordigers van diezelfde Gedachte – Zijn Stem is de onze geworden, één met die van Jezus. Eindelijk is er één visie in de plaats gekomen van de valse waarneming van het ego – het waarnemen van verschillen en oordelen – en kunnen we zien. Dus roepen we de hele wereld op zich bij ons te voegen onder het booggewelf van liefde, eindelijk veilig in de liefdevolle armen van Gods enige Zoon – terwijl hemel en aarde één worden:

Hij is even behoed voor pijn als God Zelf, die in alles over hem waakt. De wereld om hem heen straalt van liefde omdat God hem in Hemzelf een plaats gegeven heeft waar pijn afwezig is en waar liefde hem zonder eind en zonder smet omringt. Nooit kan er een verstoring van zijn vrede plaatsvinden. In volmaakte innerlijke gezondheid aanschouwt hij de liefde, want ze is in hem en overal rondom hem aanwezig. Hij moet de wereld van pijn wel ontkennen zodra hij de armen van de liefde om zich heen ziet. En vanuit deze plaats van geborgenheid kijkt hij vredig om zich heen en ziet hij in dat de wereld één met hem is.’ (T13.VII.7:2-7)

Kenneth Wapnick

Vertaling: Karin van Grieken

Dit artikel werd met toestemming overgenomen uit The Lighthouse, nummer 3, september 2004.