Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

De majesteitelijke rust van binnen

 

De majesteitelijke rust van binnen: De ware kribbe van Christus

In eerdere kerstnummers van ‘The Lighthouse’ heb ik uit Helen Schucman’s vroege
kerstgedicht ‘The Gifts of Christmas’ geciteerd. Als introductie tot dit artikel doe ik
dat nu weer.


Christus slaat niemand over. Hierdoor weet je
dat Hij Gods Zoon is. Je herkent Zijn aanraking
in universele tederheid. Zijn Liefde
breidt zich uit naar iedereen. Zijn ogen aanschouwen
de Liefde van God in al wat Hij ziet.
(The Gifts of God, p. 95; cursivering K.W.)
et waarmerk van Gods Liefde, weerspiegeld in deze wereld, is dat niemand is uitgesloten
van haar tedere aanraking. Niemand. In zekere zin maakt dit het leven hier heel
gemakkelijk, omdat elk oordeel kan worden ondergebracht bij het ene oordeel van de Heilige
Geest: liefde – haar uitdrukking, of de roep erom (zie T14.X.7:1). Leven volgens dit principe van
het ware oordeel is verre van makkelijk, want de wet van speciaalheid vereist dat er iemand moet
worden geofferd, willen we vrede vinden. Dit is beslist niet de vrede waar Jezus over spreekt,
waarin ieder is opgenomen in haar ‘majesteitelijke rust’ (T18.I.8:2) en er van niemand een offer
wordt gevraagd. Ja, Een cursus in wonderen leert dat men zich God niet kan herinneren in een
staat van oorlog:
H
De Godsherinnering komt tot een denkgeest in rust. Ze kan niet komen waar conflicten zijn,
want een denkgeest in oorlog met zichzelf herinnert zich eeuwige zachtmoedigheid niet.
(T23.I.1:1-2)
En aangezien het Zoonschap van Christus volmaakte Eenheid is, betekent het een
oorlogsverklaring aan heel het Zoonschap wanneer mijn denkgeest ook maar één enkel lid
weerhoudt haar cirkel van Verzoening te betreden. Christus wordt welkom geheten in een kribbe
van heiligheid en vrede, niet op een slagveld van zonde en haat, zoals Jezus ons voorhoudt:
Mijn geboorte in jou is ontwaken tot ware grootheid. Verwelkom mij niet in een kribbe, maar
aan het altaar voor heiligheid, waar heiligheid in volmaakte vrede verblijft. (T15.III.9:5-6)
Wat is het moeilijk te beseffen dat onze grootheid die van iedereen is, dat de heiligheid van één
persoon de heiligheid van allen is. Bovendien kunnen we het altaar van God alleen bereiken als
we alle mensen meebrengen – zeker niet naar de vorm, maar naar de inhoud van de vergeving in
de denkgeest, die geen enkele Zoon uitsluit. Anders gezegd: alle speciale liefde- en haatrelaties –
onze danspartners op de dansvloer des doods – moeten we als één met ons zien, een visie die
oordelende en veroordelende gedachten ongedaan maakt. Als er, zoals we nu zullen lezen, geen
veroordeling is in God, kan er ook geen veroordeling zijn in Zijn Zoon. Als we dan proberen onze
broeders buiten te sluiten door ze aan te vallen, kan het niet anders dan dat we onszelf
buitensluiten, want ons Zelf is één in de Heelheid van Zijn Schepper:
Jij kunt niet ingaan tot Gods Tegenwoordigheid als je Zijn Zoon aanvalt. [...] Christus staat bij
het altaar van God en wacht om Zijn Zoon te verwelkomen. Maar kom volstrekt zonder
veroordeling, want anders geloof je dat de deur vergrendeld is en je niet kunt binnengaan. [...]
Christus wacht tot je Hem aanvaardt als jouzelf, en Zijn Heelheid als die van jou. [...] Er is
geen veroordeling in de Zoon, want er is geen veroordeling in de Vader. Door in de volmaakte
liefde van de Vader te delen, moet de Zoon wel delen in wat Hem toebehoort, want anders kent
Hij noch de Vader, noch de Zoon. (T11.IV.5:6; 6:1-2; 7:3; 8:2-3)
Dus, om de majesteitelijke rust binnen te gaan waar Gods heilige altaar verblijft en ons onze
Identiteit als Christus te herinneren – ‘de Vader [en] de Zoon kennen’ – moeten we de verleiding
weerstaan om Gods Zoon als afgescheiden en afgezonderd te zien en hem in plaats daarvan te zien
zoals hij werkelijk is: één. De schrille kreten van het ego (zie WdI.49.4:3) van oordeel en haat
worden voor ons door de Heilige Geest opnieuw geïnterpreteerd en worden zo een signaal, een
rode vlag die de noodzaak aangeeft om voor het probleem en zijn oplossing naar binnen te keren.
Een vuistregel waarnaar we in ons dagelijks leven kunnen richten is: Houd er over niemand een
gedachte op na die je niet graag met iedereen zou willen delen. Dit gelijkheidsprincipe vinden we
ook in Jezus’ Nieuwjaarsgebed voor ons:
Maak dit jaar anders door het helemaal hetzelfde te maken. En laat al je relaties voor jou heilig
worden gemaakt. Dit is onze wil. Amen.
(T15.XI.10:11-14)
Dit corrigeert meteen het ongelijkheidsprincipe van het ego – zowel de bron van zijn denksysteem
van afscheiding als het middel waarmee het dat denksysteem in stand houdt door het beoefenen
van speciaalheid. Daarom hebben we sommige mensen soms lief, maar nooit alle mensen altijd.
Deze egoliefde is niet die van de Heilige Geest, Wiens liefde altijd voor allen geldt: “Wat je via
Hem geeft is bestemd voor het hele Zoonschap, niet voor een deel ervan.”
(T16.I.7:8)
Wanneer we anderen aanvallen – in gedachte, woord of daad – houden we hen van ons
afgescheiden. Het is onmogelijk iemand lief te hebben die we als anders en afgescheiden
beschouwen, want liefde is totaal. Daarom maakt ze geen vergelijkingen (zie T24.II.1:1-2). Let
eens op hoe regeringen hun vijanden ontmenselijken door gebruik te maken van zwart-wit vormen
van verklaringen om de inhoud van hun aanval te rechtvaardigen. Moord wordt goedgepraat door
kwaad te spreken van hen die als onwaardig en slecht worden beschouwd, en er wordt een
gigantische theorie over goed versus kwaad, recht en onrecht opgebouwd op de lijken van hen die
werden opgeofferd ‘ter meerdere eer en glorie’ van de overwinnaars. Dader en slachtoffer zijn de
enige rollen die het ego erkent in zijn toneelstuk van oordeel en haat, offer en verlies, een
toneelstuk dat in hart en geest zowel op het individuele als collectieve levenstoneel wordt
opgevoerd.
Maar wanneer we ons wenden tot de majesteitelijke rust vanbinnen, zien we iets heel anders.
Sterker nog, we horen iets heel anders. De oren van onze denkgeest, die horen door de
bovenzintuiglijke lens van de visie van Christus, luisteren naar het droef geweeklaag dat in ieders
hart schrijnt: het kindje in ons dat wanhopig probeert het hoofd te bieden aan de pijn van
eenzaamheid, verlatenheid en angst voor straf. Wie is er onder ons die niet ‘onzeker, eenzaam en
in constante angst door de wereld ronddwaalt?’ (T31.VIII.7:1) Wie roept er niet om hulp, waarvan
hij niet alleen gelooft dat die afwezig, maar ook onverdiend is? Wie schreeuwt het niet uit in de
kwelling van het alleenzijn, wenend om de onschuld die nooit zal worden herwonnen? (zie
P2.IV.1:7) In ieder van ons klopt het angstige hart van een verdwaald kind dat gelooft dat het
nooit meer zijn thuis terug zal vinden, niet wetend dat het in feite het Kind is Dat nooit Zijn Vader
verlaten heeft en toch nog steeds wacht op aanvaarding van Zijn heilige Zelf:
Het is dit Kind in jou dat je Vader kent als Zijn eigen Zoon. Het is dit Kind dat Zijn Vader
kent. Het verlangt er zo intens, zo onophoudelijk naar om naar huis te gaan dat Zijn stem jou
toeroept Hem even te laten uitrusten. Het vraagt om niet meer dan enkele ogenblikken respijt,
een pauze slechts waarin Het kan terugkeren om weer de heilige lucht in te ademen die Zijn
vaders huis vervult. (WdI.182.5:1-4)
Er zijn twee manieren – speciale liefde en speciale haat – waardoor mensen hun diepe wanhoop
zichtbaar maken om hier als aliens te leven, als ‘vreemdelingen in een vreemd oord’. Ze gaan óf
op een sociaal acceptabele, zelfs hulpvaardige manier met de wereld om en maken zich bij
anderen geliefd, óf ze gaan er vijandig mee om, vaak op een wrede en gewelddadige manier. Het
is niet moeilijk je verbonden te voelen met de eerste groep, maar de tweede stelt onze
vergevingsgezindheid zeker op de proef. Desondanks wordt ons in Een cursus in wonderen
voortdurend geleerd om voorbij de zwart-wit vormen te kijken, naar de eenheid van inhoud
erachter. In deze context betekent de les van Jezus dat we dezelfde melodie moeten horen
weerklinken in elk schijnbaar fragment van het lied van de Zoon van God dat óf deel uitmaakt van
de klaagzang van schuld óf van het lied van de Hemel. Zodoende kunnen we het vergeten lied, dat
in iedereen is, pas horen, als we eerst de klaagzang des doods hebben gehoord, die ook in iedereen
aanwezig is. We luisteren eerst naar het mineur van de universele haat en daarna naar het majeur
van de universele liefde.
Makkelijker gezegd dan gedaan, want voor ons ego is de majesteitelijke rust in onze denkgeest
niet onze vriend, en zeker niet ons thuis. Feitelijk hebben we ervoor gekozen de oorspronkelijke
Majesteitelijke Rust te verlaten toen we het egohuis van individualiteit en speciaalheid verkozen.
Dit is een huis dat we niet graag opgeven en daarom zijn we doof voor de roep van de
majesteitelijke rust van de Heilige Geest vanbinnen. Wie wil er nu reageren op een roep die in
iedereen zit, wanneer de prijs daarvoor is dat we onze eigen roep om speciaalheid niet meer
horen? Vergis je niet in de intensiteit van deze roep, want ons voortbestaan als afgescheiden zelf
hangt af van onze reactie daarop. Het is de aantrekkingskracht van speciaalheid tot speciaalheid,
het ego-antwoord op Christus’ aantrekkingskracht van liefde tot liefde (zie T12.VIII). En wat is
speciaalheid anders dan de behoefte om anderen uit te sluiten van ons koninkrijk van
afgescheidenheid, wat onze plaats binnen zijn verdedigingsmuren van angst en haat veilig stelt?
Nu we ons veilig wanen, richten we onze aandacht telkens weer op de verdedigingsmechanismen
die ons in eerste instantie beschermden: de uitzinnige projecties van schuld. Terwijl we de Zoon –
zoals God hem geschapen heeft – van zijn plaats verdringen, installeren we in onze
afscheidingsdroom de overwinnaar van God op de troon van het autonome, zichzelf geschapen
zelf, en vestigen zo een klein, in zichzelf verdeeld koninkrijkje als parodie op de majesteitelijke
rust die God in en als Zijn ene Zoon geschapen heeft. We sterven liever dan afstand te doen van
deze troon, zoals we als lichamen allemaal kiezen te doen, en met onze laatste adem fluisteren we
nog de naam van degene die we verantwoordelijk houden voor onze unfaire dood: alle personen
uit ons privé-leven en alle publieke figuren die we de rol van dader hebben toebedeeld. Zo gaan
we verder met het waandenkbeeld dat onze vrede door uitsluiting wordt veiliggesteld. Zo is de
majesteitelijke rust van de Heilige Geest verworden tot een pompeuze vrede, een egobolwerk
bewaakt door de hongerige honden van speciaalheid en uitsluiting, waarin slechts bepaalde,
speciale personen worden toegelaten, die dan ook nog een hoge prijs moeten betalen voor de
toegang tot ons koninkrijkje. Zij moeten verliezen opdat wij winnen, lijden opdat wij vrede
hebben, sterven opdat wij leven.
Ja, dit is inderdaad de ‘majesteitelijke rust’ van het koninkrijk van Jezus dat de wereld nu al meer
dan twee millennia aanbidt. Het is een waar fort, waarin slechts die uitverkorenen worden
toegelaten die toegewijd het heiligdom van speciaalheid laten voortbestaan, terwijl de toegang
wordt ontzegd aan de liefde die de gewijde egomuren van haat zou doen instorten, enkel door het
geluid van de alles-insluitende Stem van Christus. Toen we ervoor kozen Gods ene Zoon, zoals
Hij hem geschapen heeft, uit te sluiten, bleef er dus voor hem niets anders over dan te verdwijnen
‘in zijn Vader en uit [onze] ogen.’ (T12.VIII.2:3) En zo werd de Zoon van God niet meer herkend,
en in zijn plaats verscheen de zoon van speciaalheid, in wie wij welbehagen hebben. Deze parodie
op, of karikatuur van Gods schepping is bij ons zeer geliefd en neemt de plaats in van hem die
geliefd is bij zijn Vader (zie T24.VII.1:7,11; 10:6,9). Om dit geliefde ego-zelf te beschermen,
zouden we zelfs kunnen doden, want dat is de functie die ons gegeven is door de god van het ego,
die voor zijn koninkrijk geen concurrentie duldt. Is het dan zo verwonderlijk dat we deze
vreemdeling die Jezus heet en wiens zachtmoedige komst in ons hart het einde van het egoregiem
aankondigt, niet blij en dankbaar verwelkomen in de kribbe van onze denkgeest? Deze
zachtmoedige vreemdeling welkom heten, betekent het ego afzweren, en dat betekent ons
individuele en speciale zelf afzweren:
Wanneer jij je met mij verenigt, verenig jij je zonder het ego, want ik heb het ego in mezelf
opgegeven en kan me daarom niet met dat van jou verenigen. Onze vereniging is daarom dé
manier om het ego in jou op te geven. (T8.V.4:1-2)
Gezien vanuit het perspectief van onze droom van individualiteit en speciaalheid, is de weerstand
tegen deze vreemdeling volkomen logisch. De reis waarop hij onze gids is naar de majesteitelijke
rust in ons, en uiteindelijk zelfs daaraan voorbij naar de Majesteitelijke Rust in onze Bron, laat
geen enkele gedachte toe aan oordeel, haat, speciaalheid of behoefte. Vergeving is het middel dat
Jezus gebruikt om ons weg te voeren uit de droom van lichamen naar de droom van de denkgeest,
waar Gods ene Zoon verblijft, die zowel het middel van onze verlossing is als ons doel:
Ik was een vreemdeling en jij hebt me gehuisvest, niet wetende wie ik was. Maar vanwege het
geschenk van jouw lelies zul je het weten. In jouw vergeving van deze vreemdeling, onbekend
voor jou en toch je aloude Vriend, ligt zijn bevrijding en jouw verlossing, samen met hem.
(T20.I.4:3-5)
Binnen deze majesteitelijke rust – ‘verkoelende stilte met lelies omkranst’ (The Gifts of God, p.99)
– is Jezus geen vreemdeling meer, want hij wordt herboren als het Kind Dat onze verlossing is, het
Kind Dat Gods Zoon is, het Kind Dat ons Zelf is. Zo roept Jezus ons op om deze vergeving uit te
breiden naar alle mensen, opdat zijn vrede zijn kribbe van wedergeboorte voor alle mensen mag
worden. Er is geen belangrijker kenmerk van Jezus’ liefdevolle aanwezigheid in ons hart en onze
denkgeest dan dat ze iedereen insluit: ‘Hierdoor weet je dat hij Gods Zoon is.’ Dit is dan zijn
uitnodiging aan ons om te worden zoals hij en ons bij hem aan te sluiten in de majesteitelijke rust
vanbinnen, ‘de heilige plaats van vrede die voor ons allen is’:
Vrede zij dan ook met een ieder die een leraar van de vrede wordt. Want vrede is de erkenning
van volmaakte zuiverheid, waarvan niemand uitgesloten is. In haar heilige cirkel is iedereen
opgenomen die God als zijn Zoon geschapen heeft. Vreugde is zijn eenheidbrengende
eigenschap, waarbij niemand wordt buitengesloten om eenzaam onder schuld gebukt te gaan.
[…] Sta in stilte in deze cirkel en haal alle gekwelde denkgeesten ertoe over zich met jou te
verbinden in de veiligheid van zijn vrede en heiligheid. Houd hierin met mij verblijf, als leraar
van de Verzoening, niet van schuld. […] Kom blijmoedig naar de heilige cirkel en kijk in
vrede naar allen die menen erbuiten te staan. Stoot niemand uit, want hier bevindt zich wat hij
samen met jou zoekt. Kom, laten we ons bij hem voegen in het heilige oord van vrede dat er
voor ons allen is, als één verenigd in de Zaak van de vrede.
(T14.V.8:1-4, 6-7; 11:7-9)
Er is echter een addertje onder het gras dat we al eerder tegenkwamen. We kunnen niet in deze
majesteitelijke cirkel van licht en liefde verblijven zonder door de cirkel van duisternis en haat
heen te gaan: de overgang van speciaalheid en exclusiviteit naar de alomvattende liefde.
Nogmaals, vergeving is het middel dat ons veilig loodst door de duistere, verraderlijke wateren
van oordeel en haat, conflict en dood.
Maar God kan jou daar wel brengen [naar de wereld van onschuld en licht], als je bereid bent
de Heilige Geest door schijnbare verschrikking heen te volgen, en erop vertrouwt dat Hij je
niet in de steek laat en jou daar achterlaat. Want het is niet Zijn bedoeling – maar alleen de
jouwe – om jou angst aan te jagen. Jij komt ernstig in de verleiding Hem bij de buitenste kring
van angst in de steek te laten, maar Hij wil je er veilig doorheen en ver aan voorbij leiden.
(T18.IX.3:7-9)
Deze angst is niet eigen aan Gods Zoon, maar is zijn substituut voor de liefde die eigen is aan zijn
Zelf. Angst wordt uiteindelijk geboren uit onze weerstand tegen deze waarheid over onze
Identiteit, want binnen Haar Majesteitelijke Rust bestaat er geen afgescheiden belang of speciaal
zelf, geen afgescheidenheid of speciaalheid, slechts het ene Zelf. Juist omdat we deze
afgescheiden identiteit willen behouden, komen we allemaal “ernstig in de verleiding Hem bij de
buitenste kring van angst in de steek te laten”. Onze ego’s willen er niet “veilig doorheen en ver
aan voorbij” worden geleid, want in die kring van liefde en licht is er geen ruimte voor ons,
wezens van speciaalheid. Het pad van afgescheidenheid en uitsluiting leidt onvermijdelijk tot
afgescheidenheid en uitsluiting van ons Zelf. En om Koning Lear te citeren: ‘dwaasheid ligt die
kant uit’. Aangezien verlossing alleen te vinden is in dit ene Zelf (zie WdI.96), zijn we gedoemd
tot een leven van ellende en pijn, een prijs die we maar al te graag, zelfs met vreugde, bereid zijn
te betalen voor de majesteitelijke rust van onschuld van ons ego, die we hebben verworven ten
koste van iemand anders. Zo worden aanval en veroordeling onze wedergeboorte in de egokribbe
van haat en schuld. Dit is de kribbe die we eerst moeten herkennen als het door ons gekozen thuis,
voordat we ons kunnen keren tot de ware majesteitelijke rust, om daar waarlijk als Christus te
worden herboren. Daarom:
• Telkens wanneer je geneigd bent om een onvriendelijke gedachte jegens iemand te koesteren,
keer je dan tot de majesteitelijke rust vanbinnen.
• Telkens wanneer je geneigd bent om een ander tot het voorwerp van je behoefte te maken,
keer je dan tot de majesteitelijke rust vanbinnen.
• Telkens wanneer je geneigd bent te menen dat jouw – goede of slechte – oordeel over anderen
gerechtvaardigd is, keer je dan tot de majesteitelijke rust vanbinnen.
• Telkens wanneer je geneigd bent om een gedachte over iemand te koesteren die je niet
eveneens graag in iedereen zou willen zien, keer je dan tot de majesteitelijke rust vanbinnen.
In die plaats van ‘heilige stilheid [verblijft de levende God], die jij nooit verlaten hebt en die jou
nooit verlaten heeft.’ (T18.I.8:2) En in die heilige stilheid verblijft ook Zijn geliefde Zoon, het
onschuldige kind van Gods Majesteitelijke Rust, in wie ‘de heilige Christus vandaag geboren is’:
Waakt met mij engelen, waakt met mij vandaag. Laat al Gods heilige Gedachten mij omringen
en wees stil met mij nu de hemelse Zoon geboren is. Laat aardse klanken bedaren en de
beelden die ik gewend ben verdwijnen. Laat Christus verwelkomd worden waar Hij thuis is.
En laat Hem de klanken horen die Hij begrijpt en enkel de beelden zien die Zijn Vaders Liefde
tonen. Laat Hem hier niet langer een vreemde zijn, want vandaag is Hij opnieuw in mij
geboren. (WdII.303.1)
Kenneth Wapnick
Vertaling: Ronald Belfor & Willem Glaudemans
Uit: The Lighthouse, Nieuwsbrief van de Foundation for ACIM, december 2003