Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

Het geheugen of de herinnering:

"Het duistere verleden en de afgrond van de tijd"

Kenneth Wapnick, Ph.D.

In de tweede scène van het laatste toneelstuk van Shakespeare, The Tempest (De storm), spreekt de hoofdfiguur Prospero, de tovenaar en de afgezette gouverneur van Milaan, met zijn dochter Miranda met wie hij jaren geleden zijn stad was ontvlucht. Wanneer ze onverwacht in staat is enkele herinneringen uit haar lang vervlogen jeugd in haar bewustzijn terug te roepen, vraagt haar vader: "Wat zie je nog meer in het duistere verleden en de afgrond van de tijd?" (I,ii)

 

Shakespeare heeft met betrekking tot het geheugen geen snode connotaties aan Prospero's woorden gegeven, want het betrof hier toch de geliefde dochter van de wijze tovenaar. We kunnen echter meer in deze woorden lezen wanneer we ze plaatsen binnen de context van Een cursus in wonderen en zijn interpretatie van de rol die de tijd en het geheugen spelen in het denksysteem van het ego. Men kan zich geen wereld zonder lineaire tijd voorstellen. Daar Jezus ons herhaaldelijk op het hart drukt om het doel van alle dingen te overwegen, beginnen we ons onderzoek van het geheugen met een bespreking van de aard van de tijd en diens uitgekookte, liefdeloze doel in het verlossingsplan van het ego.

 

Het doel van tijd en het geheugen

De tijd kwam pas tot stand bij de eerste projectie van de dwaling naar buiten, die het materiële universum deed ontstaan (T18.I.6:1-2). Onze wereld van tijd bestaat uit het verleden, het heden en de toekomst, en deze zijn niets anders dan de uitdrukkingsvormen van het egodenksysteem van zonde, schuld en angst. Na de projectie uit de denkgeest van deze onheilige drie-eenheid – een hoogst ongeschikte methode om aan de (vermeende) gramschap Gods te ontkomen – wordt de zonde datgene waarvan we geloven dat we die in het verleden hebben begaan. Schuld ervaren we in wat we als het heden zien. Angst wordt de begrijpelijke reactie op de onvermijdelijke straf die we in de toekomst verwachten. Het ego is voor zijn overleving afhankelijk van deze samenhang van liefdeloosheid, daar alle drie componenten de verschillende aspecten zijn van die ene gedachte van afscheiding. Alle drie getuigen zij van het schijnbare feit dat het onmogelijke is gebeurd, want de Zoon van God heeft zijn Bron verlaten en lijkt nu te leven in de onvolmaakte staat van de afscheiding, ego's verwrongen begrip van verlossing.

Nu verschijnt het geheugen: "het duistere verleden en de afgrond van de tijd". Ze fungeert nu als middel in de handen van het ego om ons te wortelen in het krankzinnige denksysteem van de afscheiding dat de denkgeest eropna houdt. Dan volgt zijn dodelijke praktijk van speciale relaties die we in het lichaam ervaren. Het ego vertegenwoordigt de antithese van het licht van de Hemel. Vandaar het adjectief duistere die de obscure, ondoorzichtige aard van het geheugen aangeeft. Het verleden, omdat de herinnering ons vastpint in het verleden, de zetel van de zonde. Afgrond drukt het doel van de herinnering uit die ons naar beneden doet denderen langs de met grotten bezaaide diepten van ego's onderwereld van schuld en verdoemenis. Het doel van de tijd is daarom de nachtmerries te bestendigen die ons ervan weerhouden '[te ontwaken en te begrijpen] dat ze tot het verleden behoren' (T13.IV.6:6). Met andere woorden, de tijd houdt de nachtmerrie van de afscheiding in ons bewustzijn in stand, opdat we nooit zouden herkennen dat die al ongedaan is gemaakt en dus allang voorbij is.

 

Op nog een andere manier gezegd: de wereld van tijd zetelt in de wereld van lichamen, daar tijd en ruimte de twee kanten zijn van dezelfde illusoire munt van de afscheiding (T26.VIII.1:3). Alleen lichamen ervaren de lineaire tijd, die geheel afwezig is in de denkgeest. Dus houden we de zonde van onze broeder tegen hem op het lichaamsniveau en geven de herinnering daaraan nooit op in het heden. We houden die in ons bewustzijn vast om te bewijzen dat hij straf verdient, een feit dat getuigt van ons door haat gedreven lijden. Het doel van de tijd ziet er aldus uit:

 

De continuïteit van verleden en toekomst onder leiding van het ego is het enige wat het als bedoeling van de tijd ziet, en het sluit zich over het heden zodat er geen gat kan vallen in zijn eigen continuïteit. Zo houdt zijn continuïteit je vast in de tijd...” (T13.IV.8:2-3)

 

Bovendien is de ervaring van het lichaam van tijd, louter de geprojecteerde schaduw van het besluit van de denkgeest om een ego te blijven. Ook het geheugen is doodgewoon de vazal van het ego die, als het ware, de schuldbeladen boodschappen uitvoert van zijn heer en meester, de onjuist gerichte denkgeest.

 

Het geheugen houdt de boodschap vast die het ontvangt, en doet wat het wordt opgedragen. Het schrijft de boodschap niet, en bepaalt ook niet waartoe die dient. Net als het lichaam heeft het op zichzelf geen doel. En als het lijkt te dienen om een oeroude haat te koesteren, en het jou beelden bezorgt van de onrechtvaardigheden en kwetsuren die jij bewaarde, dan wenste jij dat dit zijn boodschap was, en dat is ze dan ook. Toevertrouwd aan spelonken, ligt daar de geschiedenis van heel het verleden van het lichaam verborgen. Al de vreemde associaties, gemaakt om het verleden levend, en het heden dood te houden, zijn erin opgeslagen en wachten op jouw bevel om naar jou toegebracht en herleefd te worden”. (T28.I.5:3-8)

 

Dit betekent duidelijk, zoals we nu zullen zien, dat het geheugen niet echt het verleden impliceert, dat gewoonweg niet bestaat. Het bestaat slechts in de voortdurende wens van de denkgeest om zijn altijd aanwezige keus te behouden om afgescheiden te zijn, door de ontkenning van zijn eigen macht waarmee hij drommels goed weet dat hij pijn kan veroorzaken. Deze keus herleeft hij telkens weer en nu ziet hij die macht in een wereld die overal om zich heen schijnt te zijn en die zijn onschuld bedreigt. Dit is het gezicht van de onschuld” (T31.V.6:5), het zelf dat de wereld als een voortdurende last ervaart. Dit heeft tot gevolg dat het zogenaamd 'zondeloze zelf' uiteindelijk als zelfverdediging zijn gram haalt bij hen die het tot slachtoffer hebben gemaakt. De herinnering van aan voorbije onrechtvaardigheden die tegen dit zelf zijn begaan, rechtvaardigt zijn niet-vergevingsgezinde tegenaanvallen (T31.V.2:6;3).

 

Aan dit gebruik van de tijd en het geheugen – de zetel van haat in het heden en verleden – kunnen wij, noch het doelwit van onze projecties ontkomen. En dus kan het geheugen worden begrepen als een van de belangrijkste wapens van het ego in zijn oorlog tegen God. Beter gezegd: in zijn oorlog tegen de denkgeest die besluit voor God te kiezen.

In de volgende paragraaf zal ik op meer bijzonderheden van het geheugen ingaan.

 

Het geheugen:

Een besluit in het heden, geprojecteerd in een verleden dat niet bestaat.

We beginnen met een omschrijving van het geheugen, waarop zojuist hierboven is gezinspeeld: een besluit in het heden, geprojecteerd in een verleden dat niet bestaat.

Aangezien de tijd een illusie is, kan er geen verleden bestaan. De basis voor het verleden is het geloof dat de afscheiding van God zich werkelijk heeft voltrokken. “In de tijd gebeurde dit [de idee van de afscheiding] heel lang geleden. In [de] werkelijkheid is het helemaal nooit gebeurd” (H2.2:7-8). Daar deze zich niet voltrokken heeft, omdat dat niet kon, hoe kan de tijd dan überhaupt bestaan behalve in dromen? Wat we daarom beschouwen als herinneringen, zijn niets anders dan beslissingen van de denkgeest in het heden, om het geloof in het bedrieglijke denksysteem van het ego te versterken. Dit is een ontkenning van Gods eeuwige Liefde, daar dit de lineaire tijd de schijn van werkelijkheid verleent. Onze besluitvorming is daarom de enige 'tijd' die in de denkgeest bestaat.

 

Want het verleden kan geen schaduw werpen op het heden en dat donker maken, tenzij jij bang bent voor licht. En alleen als je dat bent, kies je ervoor het duister met je mee te nemen, en het, door het in je denkgeest vast te houden, als een donkere wolk te zien die je broeders verhult en hun werkelijkheid aan jouw zicht onttrekt”. (T13.VI.2:4-5)

 

Het is de huidige angst van de besluitvormende denkgeest voor het licht die ons drijft in de troostrijke armen van het ego: onze 'vrienden' van zonde, schuld en dood (T19.IVD.6:3) die ons verbinden met de voorbije zonde van de afscheiding. Hierbij handhaaft het ego zijn krankzinnig denksysteem in onze actuele ervaring.

 

We moeten nooit de verleidelijke kracht van deze 'vrienden' onderschatten, waarmee ze ons verlokken de leugens van het ego over de afscheiding te geloven en zijn sprookjes van verlossing via speciale relaties. Liefhebbers van muziek alsook bijna alle Duitsers voor wie Der Lindenbaum een echt volksliedje is geworden, zijn vertrouwd met Schuberts prachtige zetting van Wilhelm Müllers gedicht, een deel van de laatste liederencyclus Die Winterreise van de Weense Meester. De boom, die we kunnen opvatten als de troostrijke aanwezigheid van speciaalheid, roept de afgewezen geliefde van het gedicht om te sterven in zijn bedrieglijk tedere omhelzing: de geneugten van de speciale liefde, samen met diens verdrietige en onvermijdelijke teleurstellingen. Als de jonge held uiteindelijk de roep weerstaat, blijft die op zijn verre reizen in zijn denkgeest hangen, terwijl hij een treurige reis maakt naar zijn eigen krankzinnigheid. De diepbedroefde jongeling spreekt tot ons over de roep van de boom, die tot hem kwam als ware die uit een droom.

 

In vreugde en verdriet trok hij
mij altijd naar zich toe...
Maar de takken ruisten
alsof ze mij toeriepen:
"Vriend, kom naar me toe,
hier zul je jouw rust vinden."

 

Zo klinkt ook de hypnotische roep van het geheugen, en zo versterkt die het egodenksysteem van de dood. Het probeert zijn individuele identiteit te behouden, ondanks alle dreiging van de denkgeest dat hij alles weer ongedaan zal maken door zichzelf te corrigeren. Toch kiest de besluitvormende denkgeest het ego als zijn leraar en omhelst ego's verkeerd gerichte denksysteem van zonde, schuld en angst. Wanneer de keuze vanuit de denkgeest wordt geprojecteerd, wordt het geheugen geboren evenals alles wat met de tijd te maken heeft. De gestage stroom van de eeuwigheid, de ononderbroken aard van de werkelijkheid, worden opzettelijk verbannen uit het bewustzijn van de denkgeest. Hun plaats wordt ingenomen door de onsamenhangende segmenten die onze ervaring van de lineaire tijd uitmaken, de werkelijkheid van het ego.

 

Verleden, heden en toekomst zijn niet continu, tenzij jij ze continuïteit oplegt. Je kunt ze als continu waarnemen, en maken dat ze dit voor jou zijn. Maar laat je niet misleiden om dan te geloven dat het ook zo is. Want geloven dat de werkelijkheid is zoals jij haar zou willen hebben overeenkomstig het gebruik dat jij ervan maakt, is een waan. Jij wilt de continuïteit van de tijd vernietigen door ze voor eigen doeleinden op te delen in verleden, heden en toekomst. Jij wilt vooruitlopen op de toekomst op basis van je vroegere ervaringen en er dienovereenkomstig plannen voor maken. Maar door dit te doen breng je verleden en toekomst op één lijn, en laat je niet toe dat het wonder, dat tussenbeide kan komen, jou bevrijdt zodat je wordt wedergeboren”. (T13.VI.4:2-8)

 

Deze verdediging tegen de denkgeest die ervoor kiest zijn verkeerde beslissing te herstellen door tussenkomst van het wonder is, nogmaals gezegd, het doel van het geheugen. Het ego heeft het hoofdzakelijk juist om deze reden gemaakt. Wij koesteren het unieke van ons speciale zelf, en dit is het effect van de oorzaak die de keuze van onze denkgeest is vóór de afscheiding van het ego en vóór de onheilige drie-eenheid van zonde, schuld en angst. En dus lezen we:

 

Waarom zou jij je er in de herinnering aan vastklampen, als jij haar gevolgen niet verlangde? Herinneren is even selectief als waarnemen, waarvan het de verleden tijd is. Het is de waarneming van het verleden alsof het nu plaatsvond, en hier nog altijd te zien was. Herinneren, net als het waarnemen is een vaardigheid die jij hebt bedacht om de plaats in te nemen van wat God bij jouw schepping ten geschenke gaf”. (T28.I.2:4-7)

 

Nogmaals, we verlangen het effect (ons fysieke/psychologische lichaam), en dus kiezen we de oorzaak (de schuld van de denkgeest) en dat laat ons afgescheiden zelf in een lichaam verschijnen. We vergeten vervolgens wat we gedaan hebben, en scheiden het effect van de oorzaak af, en bewaren zo onze zonde uit het verleden als een kostbaar goedje achter ego's sluier van vergeetachtigheid en halen die ogenschijnlijk voorgoed weg uit ons bewustzijn. Toch is er nog een andere manier van kijken:

 

Het verleden dat jij je herinnert is er nooit geweest, en vertegenwoordigt slechts de ontkenning van wat [er] altijd was”. (T14.IX.1:10)

 

'Wat [er] altijd was' is de liefde die ons geschapen heeft en dat is ook wat we zijn. Het verleden loslaten en het doel van het geheugen veranderen, zijn de middelen om de denkgeest op het heden te fixeren, wat jouw thuiskomst bespoedigt. Dit is het gebruik dat de Heilige Geest van het geheugen maakt, en het heilig ogenblik is de term die de Cursus bezigt om deze omslag van tijd naar tijdloosheid aan te geven. Deze omslag leren maken, is Jezus' doel voor ons in de Cursus.

 

Het heilig ogenblik: 'Voor de eerste keer'

We beginnen deze paragraaf met een passage uit een vroege werkboekles die het principe voor de eerste keer uiteenzet, het hart van onze dagelijkse beoefening van vergeving:

 

Oude ideeën over tijd zijn moeilijk te veranderen, omdat alles waarin je gelooft geworteld is in de tijd en steunt op het feit dat je deze nieuwe denkbeelden hierover niet leert. En dat is nu precies de reden waarom je nieuwe ideeën over tijd nodig hebt. Dit [idee van de eerste keer] is niet echt zo vreemd als het in eerste instantie mag klinken”. (WdI.7.2; cursief K.W)

 

Zonder ons geheugen wordt elk ogenblik binnen de droom voor de eerste keer geleefd, wat erop neerkomt dat er geen verleden is dat onze visie verstoort. In het laatste nummer van The Lighthouse (maart 2009) heb ik commentaar geleverd op het dirigeren van Wilhelm Furtwängler, en hoe hij elk muziekstuk als een levend, organisch proces beschouwt. Als we dit idee uitbreiden, kunnen we ook zien op welke manier iedere uitvoering door deze dirigent voor de eerste keer gedirigeerd werd. Werken die Furtwängler honderden keren had gedirigeerd, net als de symfonieën van Beethoven, werden fris en kwamen tot leven onder zijn directie. Hij tapte uit de tijdloze, juist gerichte bron van denken waaruit alle grote kunst voortkomt, om nog eens de muziek te herscheppen telkens wanneer hij zijn dirigeerstok ophief.

Maar nog belangrijker dan dit artistiek voorbeeld, zijn de enorme implicaties van het principe voor de eerste keer voor onze alledaagse relaties. We hebben geen relatie met mensen om wat ze voor ons kunnen betekenen op basis van onze ervaring met hen in het verleden, maar uitsluitend om wie ze nu zijn. Deze laatstgenoemden kunnen denkgeesten zijn die ervoor gekozen hebben om liefde uit te drukken, of die om liefde roepen uit angst daarvoor (T14.X.7:1), en vragen om in het ongelijk gesteld te worden vanwege hun verkeerde keuze ten gunste van het ego. Een andere waarneming is niet gerechtvaardigd binnen de illusiewereld, want deze eenvoudige herkenning zonder oordelen is alles wat hier waar kan zijn. Wanneer we niet geloven dat we onze zonde uit het verleden kunnen projecteren, wordt het onmogelijk om zonde in wie dan ook te bespeuren. “Projectie maakt waarneming” (T21.in.1:1; cursief K.W), en als er niets is om te projecteren, is er ook niets om waar te nemen.

Denk bijvoorbeeld eens na over de relatie tussen ouders en kinderen. In deze tijd waarin mensen langer leven, is het niet ongebruikelijk dat volwassen kinderen de zorg van hun bejaarde ouders op zich nemen, hetzij in directe zin, hetzij indirect door het toezicht van hun dokter en/of zorgverlener. Helaas is het vaak zo dat een dergelijke, grotere verantwoordelijkheid gepaard gaat met gevoelens en gedachten van zware druk, boosheid, wrok en schuld, wat allemaal nauwelijks bevorderlijk is voor liefdevolle communicatie over en weer. Deze liefdeloze reacties zijn alleszins begrijpelijk, gelet op de pijn die de meeste mensen in hun jeugd hebben gevoeld, vanwege het op het ego gebaseerde ouderschap dat soms werd gekenmerkt door ernstige emotionele en fysieke mishandeling. Dit alles betekent, echter, dat de kinderen nog steeds het verleden met zich meedragen, en maken het de ogenschijnlijk gerechtvaardigde determinant van hun huidige gedachten, gevoelens en gedrag.

Om er volledig aanwezig te kunnen zijn voor de behoeften van onze ouders, zou het van essentieel belang zijn om vaders en moeders te zien alsof het de eerste keer was.

Welke fouten ze ook in het verleden hebben gemaakt, zou men dan niet meer zien of zich zelfs kunnen herinneren. In het werkboek staat het zo: “Het verleden is voorbij. Het kan mij niet raken.” (WdII.289). In het Tekstboek lezen we en vervangen daarbij 'Deze wereld' door 'Het verleden':

 

[Het verleden] was lang geleden al voorbij. De gedachten die [het] hebben gemaakt, zijn niet meer in de denkgeest die [het] gedacht heeft en een tijdje liefhad”. (T28.I.1:6,7)

 

Eigenlijk zou het onmogelijk zijn om er waarlijk voor iemand te zijn, ongeacht de vorm van de relatie, zonder het verleden los te laten. Dit is wat er door Een cursus in wonderen heen bedoeld wordt met de vermaning van Jezus aan ons dat we geen lichamen zijn maar denkgeesten. Denkgeesten bestaan buiten de tijd en ruimte, een toestand waarin er geen lineaire tijd bestaat. Aan de andere kant zijn lichamen aan de tijd gebonden, altijd onderhevig aan de kalender en de klok, en aan de wetten van ontwikkeling en overleving. Er zijn heel duidelijk afgebakende ontwikkelingsstadia die al bij de conceptie beginnen. Zo zijn er ook bepaalde wetten over eten en slapen waarvan we geloven dat die ons welzijn bevorderen, en wetten over geld die ons tot werken aanzetten om onszelf en onze gezinnen te onderhouden. Dit alles is aan de tijd gebonden. Bijgevolg, naar de mate waarin we ons met het lichaam identificeren, zoals we dat allemaal onvermijdelijk doen, naar diezelfde mate maken we het onmogelijk om er waarlijk voor de andere te zijn. De schaduwen van het verleden (T17.III) doemen steevast op in onze herinnering om ons het zicht te verhullen, en oordeel neemt de plaats in van de juiste gerichtheid-van-denken. Wanneer we het verleden niet willen of kunnen loslaten, dan sluit dat bij voorbaat iedere oprechte zorg of compassie uit, voor de pijn die we allemaal ervaren in de wereld van de illusie.

Dit alles kan echter gemakkelijk ongedaan worden gemaakt door een andere leraar te kiezen. Een leraar die, te midden van ons rauw geschreeuw uit leed, boosheid en het verlangen om te straffen, ons zachtjes toefluistert: “[Je] zou in plaats hiervan vrede kunnen zien” (WdI.34). Situaties van leed en pijn worden getransformeerd tot heilige ontmoetingen van vergeving, want de niet-vergevingsgezindheid uit het verleden is vrijgemaakt in de herkenning van de intrinsieke onveranderlijkheid van Gods Zoon.

 

Telkens wanneer jij iemand ontmoet, bedenk dan dat het een heilige ontmoeting is. Zoals je hem ziet, zie jij jezelf. Zoals je hem behandelt, behandel jij jezelf. Zoals je over hem denkt, denk jij over jezelf. Vergeet dit nooit, want in hem zul jij jezelf vinden of verliezen”. (T8.III.4:1-5)

 

Daar het ego eerst spreekt (T6.IV.1:2), komen we altijd in de verleiding anderen te zien door de ogen van speciaalheid, en maken hen op die manier apart en anders dan wij. Deze waarnemingen vloeien altijd voort uit het verleden, die ons 'voorlichten' over de persoon of zaak die over de speciale eigenschappen beschikken die aan onze behoeften voldoen.

We beseffen uiteindelijk de ontzaglijke hoge prijs die we hebben moeten betalen vanwege de verkeerd gekozen leraar die ons ertoe noodzaakt anderen aan te vallen om het vege lijf te redden. Door dit besef zijn we gereed het antwoord van de Verzoening te ontvangen: de afscheiding van de Schepper en Zijn schepping heeft nooit plaatsgevonden. Door onze oordelen prijs te geven, waaraan we tot dusverre verlossende eigenschappen hadden toegedacht, kunnen we door de visie van het heilig ogenblik anderen waarnemen zoals ze werkelijk zijn: fragmenten van de ene Zoon van God in de wereld van de illusie. Wanneer we als Jezus zien, herkennen we de inherente gelijkheid in ons allen: één gespleten denkgeest die bestaat uit het ego, de Heilige Geest en de beslissingnemer die tussen hen kiest.

 

We kunnen het doel van de Heilige Geest of van Jezus beschouwen als het herstel van ons geheugen tot zijn functie van de juiste gerichtheid-van-denken. Hierdoor wordt groen licht gegeven aan het wonder om de denkgeest waarlijk te verlichten die door het ego was gesmeten in het 'duistere verleden en de afgrond van de tijd'. Zo wordt het geheugen ontheven uit zijn functie een verleden in stand te houden dat er nooit was, zodat het liefdevolle Heden dat er altijd geweest is, vrij te maken. Het wonder zal zijn doel bereikt hebben, wanneer we voor ogen houden dat het probleem nooit in het verleden ligt, maar altijd in de keus die de beslissingnemer nu maakt. En omdat de keus nu wordt gemaakt, kan deze worden veranderd en het doel van het verleden worden verlegd van het verleden naar het heilig ogenblik dat het ware heden is. Hierover gaat het volgende citaat.

 

De Heilige Geest kan wel degelijk gebruik maken van de herinnering, want God Zelf is daarin aanwezig. Maar dit is geen herinnering aan voorbije gebeurtenissen, maar alleen aan een huidige toestand. Jij bent al zo lang gewend te geloven dat het geheugen alleen bevat wat voorbij is, dat het voor jou moeilijk is in te zien dat het een vaardigheid is die in staat is [het] nu te herinneren. De beperkingen die de wereld het herinneren oplegt zijn even enorm als degene die jij je door de wereld laat opleggen. Er is geen herinneringsschakel met het verleden. Als jij graag hebt dat die er is, dan is ze er ook. Maar alleen jouw verlangen bracht die schakel tot stand, en alleen jij hebt die aan een deel van de tijd gebonden waarin schuld nog lijkt voort te leven”. (T28.I.4)

 

Met andere woorden, het is ons verlangen om afgescheiden te blijven. We beschuldigen anderen voor ons ellendig bestaan dat de niet-bestaande schakel smeedt naar een niet-bestaand verleden, waarin onze zonde en schuld de scepter zwaaien. Deze blijven verstopt en schijnbaar voor eeuwig ongecorrigeerd.

Ditzelfde verlangen – de macht van de denkgeest om te kiezen – kan daarom een nieuwe richting krijgen van ego's onheilig ogenblik van oordeel en aanval af, naar het heilig ogenblik van vergeving en verbondenheid van de Heilige Geest.

Uit Deel Twee van het Werkboek lezen we dat het heilig ogenblik de enige tijd is die er bestaat. Als we door de tijd heen moeten reizen naar de eeuwige wereld van tijdloosheid, behelst het heilig ogenblik ook de verandering van het doel dat de verlossing vereist.

 

Ik heb me van de tijd een zodanige voorstelling gemaakt dat ik mijn doel verijdel. Als ik verkies voorbij de tijd [de] tijdloosheid te bereiken, moet ik mijn beeld over waar de tijd toe dient, veranderen. Het kan niet het doel van de tijd zijn om verleden en toekomst te bewaren als één geheel. Het enige interval waarin ik van de tijd kan worden verlost, is nu. Want in dit ogenblik is vergeving gekomen om me te bevrijden. De geboorte van Christus is nu, zonder verleden of toekomst. Hij is gekomen om Zijn directe zegen aan de wereld te geven en die tot tijdloosheid en liefde terug te brengen. En liefde is eeuwig aanwezig, hier en nu”. (WdII.308.1)

 

En dus leven we in het heilige ogenblik, waarin we onze broeders en alledaagse situaties voor de eerste keer tegenkomen, en begroeten de opnieuw geboren Christus in ieder van ons. Er hangen geen schaduwen uit het verleden voor onze ogen die ons zicht verstoren, en we lopen kalm in de wereld met een vriendelijke glimlach op ons gezicht, waarmee we alle leden van het Zoonschap eer bewijzen (WdI.155.1:1-3). Spanningen, gevoelens van wrok, psychische angsten en nodeloze moeheid zijn in hun eigen onbeduidendheid teruggetreden: illusie is tot illusie teruggekeerd. De verschrikkelijke last van het verleden werd pas aanzienlijk lichter toen die oploste door de zachtheid van vergeving. Wat een wonderschone bevrijding is het toch om in het nu te leven, vrij van geprojecteerde haat uit een niet-bestaand verleden in een toekomst die evenmin bestaat. Dit alles wordt bij elkaar gehouden door onze oordelen over de Zoon van God. Al vroeg in het Tekstboek vertelt Jezus ons:

 

Je hebt geen idee van de geweldige bevrijding en diepe vrede die ontstaan wanneer jij jezelf en je broeders totaal zonder oordeel tegemoet treedt”. (T3.VI.3:1)

 

Wat zijn oordelen anders dan de projecties van de eigen oordelen over onszelf op anderen? De meeste studenten van Een cursus in wonderen zijn vertrouwd met de volgende aanhaling uit het Werkboek:

 

Wanneer jij voelt dat je in de verleiding komt iemand te beschuldigen van enigerlei zonde, sta dan je denkgeest niet toe te blijven stilstaan bij wat jij denkt dat hij heeft gedaan, want dat is zelfmisleiding. Vraag liever: 'Wil ik mezelf hiervan beschuldigen?' (WdI.134.9:2-3)”

 

In het heilig ogenblik hebben we gekozen tegen ego's denksysteem van afscheiding, zonde en leed, en dus maken die geen deel meer uit van onze ervaring. Wat overblijft, is de vrede die tevoorschijn komt wanneer het conflict niet meer bestaat, de vreugde wanneer er geen verdriet is, en de glorie die de Zoon van God toekomt, bevrijd uit de boeien van schuld. Dit brengt ons bij de inspirerende woorden van Les 194:

 

Bevrijd de toekomst. Want het verleden is voorbij en dat wat [het] heden is – bevrijd van zijn nalatenschap van ellende en verdriet, van verlies en pijn – [wordt] het ogenblik waarop de tijd ontsnapt aan de onderworpenheid aan illusies waarbinnen hij zijn meedogenloze, onvermijdelijke koers volgt. Dan wordt elk ogenblik dat slaaf was van de tijd in een heilig ogenblik getransformeerd, wanneer het licht dat in Gods Zoon verborgen werd gehouden, bevrijd wordt om de wereld te zegenen. Nu is hij vrij en al zijn glorie straalt op een wereld die samen met hem is bevrijd om zijn heiligheid te delen”. (WdI.194.5)

 

Dit gelukkige feit opnieuw geformuleerd: voor de eerste keer leven, betekent dat er niets is om zich te herinneren. Ja, het is waar, Jezus heeft geen herinneringen, want alles wat hij weet is dat zijn broeders verkeerd kiezen in het heden van de denkgeest en dat zijn liefdevolle aanwezigheid ons terug zal trekken. Wat is er nog meer dat het weten waard is? Wat zouden wij anders willen weten? Onze ervaring kan ons misschien wel iets anders vertellen, dat Jezus bepaalde dingen zegt, of specifieke antwoorden geeft op specifieke vragen, maar dit zijn slechts vertalingen van de juist gerichte denkgeest van het abstracte van de liefde naar iets concreets wat voor ons van belang zou kunnen zijn. Dit volgt hetzelfde principe dat voorkomt bij de fysiologie van het oog. Terwijl het beeld uit de wereld de lens in het oog passeert op weg naar de retina, wordt het omgekeerd. Op deze manier wordt op de retina een omgekeerd beeld geprojecteerd en dat is wat we zien. Al vroeg corrigeren onze hersenen dit beeld, zodat het rechtop staat. Dit is hoe wij op grond van onze ervaring denken dat we de wereld zien, ook al is het een leugen. Jezus vertelt ons in de volgende context over ons onvermogen om Eenheid te begrijpen.

 

Het is duidelijk dat een denkgeest die zo gespleten is, nooit als Leraar een Eenheid kan onderwijzen die alle dingen verenigt in Zichzelf. En dus moet Wat in deze denkgeest aanwezig is, en alle dingen daadwerkelijk met elkaar verenigt, wel zijn Leraar zijn. Maar Het moet wel gebruik maken van de taal die deze denkgeest begrijpen kan, in de toestand waarin die denkt te verkeren”. (T25.I.7:2-4)

 

Het bovenstaande betekent dat Jezus niet echt ons gedrag richting geeft, daar zijn eigen lering ons zegt dat er geen wereld buiten onze dengeest bestaat (Ideeën verlaten hun bron niet... [T26.VII.4:7]). Nogmaals, onze denkgeest vertaalt de niet-specifieke ervaring van zijn liefde in het specifieke 'horen' en de specifieke 'leiding' waarvan we geloven dat die ons leven in de wereld bestuurt.

Deze interpretatie vereenvoudigt in hoge mate onze dagelijkse oefeningen in vergeving, want iedere situatie, gebeurtenis en relatie wordt afzonderlijk herleid tot die ene, op zichzelf staande vergissing die onze onvrede veroorzaakte, en kan nu eenvoudig gecorrigeerd worden door de keuze van de denkgeest voor een andere leraar.

Het is uiteindelijk belangrijk dat we deze leerstellingen niet op een simplistisch manier interpreteren, maar ervan uitgaan alsof we hier alles voor de eerste keer doen. Het mag duidelijk zijn dat, willen we als fysieke/psychologische wezens overleven, we geen andere keus hebben dan te vertrouwen op het verleden voor ons dagelijks leven. Hoe zouden we anders voorbereid de dag tegemoet treden – afwassen, tanden poetsen, ontbijt klaarmaken, naar het werk rijden, etc. – zonder de informatie uit het verleden? Zo zouden we eigenlijk ook over onze relaties kunnen spreken.

Een ander soortgelijk voorbeeld: wanneer Jezus ons herhaaldelijk aanmaant niet te oordelen, bedoelt hij niet dat we moeten afzien van de vereiste evaluaties om als lichamen te kunnen functioneren, oordelen die we allemaal als vanzelfsprekend beschouwen. Hij bedoelt hiermee dat we onze broeders niet veroordelen en dat we ons afvragen: 'Wil ik mezelf hiervan beschuldigen?' Een dergelijk zelfonderzoek waarbij tenslotte de genezende werking van voor de eerste keer wordt onderkend, brengt onze aandacht terug naar de dengeest waar we met vreugde opnieuw kunnen kiezen. Weg is het met zonde en schuld belaste verleden; weg is ook de met angst bezwangerde toekomst. Slechts het heilig ogenblik blijft over waarin visie elk oordeel heeft overwonnen, en de Zoon van God zich kan herinneren dat hij werkelijk de Zoon van God is.

 

Conclusie

Door de Cursus te volgen in zijn contrast van het ego en de Heilige Geest, hebben we hun gebruik van het geheugen onderzocht. Het ego wendt het geheugen aan om ons te wortelen in zijn geprojecteerde wereld van de lineaire tijd, de materiële wereld van het concrete. Daarbij versterkt het zijn onheilige drie-eenheid van zonde, schuld en angst. Door ons te identificeren met het doel van het ego, vergeten we ons Gods Liefde te herinneren die de Heilige Geest voor ons bewaart in ons juist gerichte denkgeest. De Heilige Geest is de symbolische voorstelling van het geheugen daarvan. We zien hoezeer het geheugen het ego van dienst is geweest en hoezeer het ons ervan heeft weerhouden om ons God te herinneren, wat het doel van de juist gerichte denkgeest is. Als we dit overwogen hebben, vragen we ons af wie ooit zo dwaas zou kunnen zijn om door te gaan het verleden te gebruiken in plaats van het eeuwige heden? Aangaande onze behoefte aan specifieke hulp voor specifieke problemen zegt Jezus in Het lied van het gebed het volgende:

 

Wat kan Zijn antwoord anders zijn dan jouw herinnering van Hem? Kan dat worden geruild voor een beetje, te verwaarlozen advies over een probleem van heel korte duur? God antwoordt louter voor de eeuwigheid. Maar toch zijn alle kleine antwoorden hierin vervat.” (L1.I.4:5-8)

 

De Heilige Geest gebruikt onze ervaring van tijd om ons te leren dat er geen tijd bestaat (T13.IV.7:3-4), en daarom moet het denksysteem dat die gemaakt heeft onwerkelijk zijn. Wat er nodig is om ons de vrede en vreugde te brengen die ons toekomt als de Zoon van God, is een verandering in onze denkgeest, een beetje bereidwilligheid, een knikje in Gods richting (T24.VI.12:4). Er is niets anders nodig om de wereld van tijd, zonde, schuld en straf te doen verdwijnen alsof die er nooit geweest was. Die wereld heeft ook nooit bestaan.

 

Hoe ogenblikkelijk komt de Godsherinnering op in de denkgeest die geen angst kent waardoor die herinnering wordt geweerd! Zijn eigen herinnering is verdwenen. Er is geen verleden dat zijn angstaanjagend beeld in de weg blijft zetten van een blij ontwaken tot vrede in het nu. De bazuinen van de eeuwigheid weerklinken door heel de stilheid, maar verstoren die niet. En wat nu herinnerd wordt is niet de angst, maar de Oorzaak waartoe de angst gemaakt werd om Die te doen vergeten en op te heffen. De stilheid spreekt in zachte klanken van liefde die Gods Zoon zich herinnert van voordat zijn eigen herinnering tussen het heden en het verleden schoof om ze uit te sluiten.” (T28.I.13)

 

Deze zachte klanken hebben onze denkgeest nooit verlaten, en zijn daarin geweest vanaf het dwaze ogenblik dat de gedachte van afscheiding bij ons opkwam. We kozen er toen voor om ons de speciaalheid van het ego te herinneren en het allesomvattende van de Verzoening te vergeten. Maar we hebben we nu besloten om hetgeen we vergeten waren – maar nog steeds in onze juist gerichte denkgeest zit – in onze herinnering terug te roepen en de trompetten van de eeuwigheid door het hele Zoonschap te laten weerklinken. Het principe voor de eerste keer verdwijnt zachtjes in het vreugdevolle van de eeuwigheid, want we hebben ten langen leste ervoor gekozen om ons de Liefde te herinneren die onze Schepper en ons Zelf is. Wat het duistere verleden was, wordt losgelaten tot zijn eigen nietigheid, en het zachte licht van Christus is nu onze enige werkelijkheid.

Wij besluiten met de volgende inspirerende passage uit Helens prozagedicht The Gifts of God (oorspronkelijk een reeks persoonlijke boodschappen aan haar), die de poëtische echo en uitbreiding is van het citaat uit Het lied van het gebed. Dit citaat weerspiegelt de zachte leiding die ons naar huis voert: liefde keert tot zichzelf terug.

 

Kind van Eeuwige Liefde, welke gave verlangt jouw Vader van je dan jezelf? En wat zou je liever willen geven, want wat zou je liever willen hebben? Jij bent vergeten Wie je werkelijk bent. Wat is jou dierbaarder dan die herinnering? Welke nietige gaven, gemaakt uit ziekelijke angst en de boze droom van leed en dood, kunnen de herinnering van de Christus in jou vervangen? In het verre land was je inderdaad verdwaald, maar je werd niet vergeten. Luister naar de stem van liefde tot liefde, door liefde, die jou in liefde roept, en sta op met liefde naast jou om de gave van liefde terug te geven die God jou gegeven heeft, en jij Hem uit dankbaarheid hebt gegeven.” (The Gifts of God, p. 125)

 

 

Vertaling: Ronald Belfor