|
V#984:
Mijn kind is stervende, hoe kan ik hiermee omgaan? Ik heb het
antwoord gelezen op een vraag van een paar jaar geleden over verdriet. Het is
moeilijk voor me om helemaal te begrijpen wat je zei. Ik zou daar graag iets
over willen vragen vanuit mijn eigen situatie. Mijn enige kind, een jonge
vrouw, heeft de diagnose kanker gekregen. Zij is in het ‘laatste stadium’. Ik
bid dat ik, voorbij de ziekte, naar haar volmaakte Zelf in Christus mag kijken.
Ik kan echter geen vrede vinden met deze situatie. De gedachte aan een wereld
zonder mijn dochter lijkt onmogelijk. Ik vertrouw op Een cursus in wonderen, maar soms vind ik de abstracte vorm zo
moeilijk. Kun je me alsjeblieft helpen dit te begrijpen? A: Je woorden geven zeer
schrijnend je gevoelens van angst, pijn en verdriet over je dochter weer. Een
dergelijk verlies is erg moeilijk om naar te kijken en te accepteren vanuit het
denksysteem van de wereld. Het kan aanvoelen alsof je hart breekt en er geen
enkele troost is. Het is essentieel voor het genezingsproces dat je niet
probeert deze gevoelens te ontkennen, weg te krijgen of te bedekken met
zogenaamd ‘genezende’ spirituele gemeenplaatsen. Je kunt beginnen om een stap
terug te doen en te herkennen dat ze niet zijn wat jíj bent. Het egodenksysteem gaat dan
wel over pijn, verlies en verdriet (T13.IX.2:3), maar we zijn niet ons ego. Zolang we ons
blijven identificeren met zijn ideeën over afscheiding en beperking, zullen
deze gevoelens een belangrijk deel van onze ervaring blijven. Maar naarmate je
meer in staat bent om naar ze te kijken zonder dat je je ermee identificeert,
begin je mogelijk enige verlichting te ervaren. Toch zal er waarschijnlijk veel
weerstand zijn om je niet meer met deze gevoelens te identificeren, want wie
zou je zijn als je niet een verdrietige moeder bent die met het verlies van
haar dochter geconfronteerd wordt? Je zegt dat je gebeden hebt
om voorbij de ziekte naar je dochters volmaakte Zelf in Christus te kijken,
voorbij haar lichaam. Maar heb je overwogen dat ook jíj volmaakt in Christus
bent, en niet je lichaam? Het lijkt erop dat je dat verschil tussen jullie tot
werkelijkheid maakt. Dat je denkt dat je dochter op de een of andere manier,
ondanks haar ziekte, volmaakt is, maar dat jíj nog altijd een lichaam bent dat
verlaten kan worden wanneer zij sterft. En de Cursus zegt dat we altijd de ander zien, zoals we eerst onszelf hebben gezien (T8.VII.5:1-4; T15.V.6:5,6). Werkelijke genezing komt
niet door de beslissing jezelf en je dochter als volmaakt te zien. Werkelijke
genezing ontstaat wanneer je alle redenen blootlegt waarom je ervoor kiest om
jezelf te zien als een beperkt lichaam dat verlies en pijn kan ervaren. En
vervolgens jezelf te vergeven voor deze keuze. Het ego wil jou doen geloven dat
al je pijn het resultaat is van wat er gebeurt met je dochter. En de
intensiteit van je gevoelens lijken je ervan te overtuigen dat dat zo is. Maar
Jezus vertelt in de Cursus, heel zachtaardig, dat we ongelijk hebben. Hij laat
zien dat al onze gevoelens van verdriet, pijn en verlies komen van onze
beslissing de afscheidingsgedachte te omarmen. Als die gedachte waar zou zijn,
zouden we heel letterlijk afgescheiden zijn van liefde (T16.V.4:4). Dat is een uitermate pijnlijk verlies en brengt meer
verdriet met zich mee dan we ons zelfs maar kunnen voorstellen. Onze speciale
liefdesrelaties worden het scherm waarop we deze gevoelens projecteren, zodat
we nooit in contact komen met hun werkelijke bron, die in de denkgeest is. Het lijkt of onze speciale
relaties bewijzen dat we incompleet zijn en dat werkelijke liefde en geluk
buiten onszelf te vinden zijn, in anderen (T29.VII.2,6). Onze relaties met geliefden zijn machtige
demonstraties van deze ‘ego-waarheid’. Als het om onze gevoelens gaat, vraagt
Jezus ons één ding: probeer ze niet te rechtvaardigen op basis van onze
interpretatie van wat wij denken dat er gebeurt of in het verleden is gebeurd. Want
onze interpretatie klopt niet. Als we denken dat deze juist is, zullen we nooit
in staat zijn om de alternatieve interpretatie te horen die Jezus ons aanbiedt.
En dus is de eerste vraag die we kunnen stellen: “Ben ik bereid te overwegen dat ik misschien ongelijk heb?”(T30.I.9,10)
Als het antwoord ‘nee’ is, is dat prima, want Jezus blijft altijd voor ons beschikbaar, vol geduld, tot we bereid zijn voor een heroverweging.
(T8.IV.6:3-5) De bevrijding van deze
intense gevoelens, geprojecteerd op je dochter, is meestal een geleidelijk
proces dat tijd kost. Maar wanneer je jezelf kunt toestaan om
iets van de liefde en de waarheid te ervaren die in jou is – al is het alleen
een korte glimp zo af en toe - dan zul je beginnen te begrijpen dat je
werkelijk de definitieve uitweg uit pijn en verdriet hebt gevonden. En
deze liefde kunnen we ervaren wanneer we ons met Jezus verbinden, en samen met
hem heel zacht en zonder te oordelen, kijken naar wat wij werkelijk hebben
gemaakt in onze denkgeest. Maar wees bovenal mild voor jezelf gedurende het
proces. Want Jezus probeert alleen ons ervan te overtuigen dat we liefde waard zijn. Wat er ook in
ons leven en in de wereld om ons heen gebeurt, alleen onze eigen keuze kan ons
het gevoel geven dat we van de liefde beroofd zijn. (T4.IV.3) |