|
V#849 Is de denkgeest in het lichaam, of omgekeerd? In ‘De meest gestelde vragen over Een cursus in wonderen’, staat op
verschillende plaatsen dat de denkgeest zich nooit in het lichaam bevindt, en
dat het onmogelijk is antwoord te geven op de vraag ‘waar hij is’. Dit vind ik zeer
verwarrend. Verblijft de denkgeest niet tijdelijk in een lichaam zolang dit bezield
(levend) is, waar onze lessen worden geleerd? Is het niet zo dat de denkgeest
een lichaam bezielt? Is de levenskracht en de denkgeest niet hetzelfde? Zo
niet, WAT is het dan dat een lichaam een tijdje bezielt tot het einde van zijn bestaan?
Is het niet de denkgeest die ervoor kiest om een lichaam te bewonen met het doel
om te leren? Ik heb eens een ervaring gehad
waarbij mijn denkgeest (of was het mijn bewustzijn?) mijn lichaam leek te verlaten
en versmolt met wat als het AL aanvoelde, waar ik me heel voelde en geen vragen
meer nodig waren. Ik voelde me geen 'ik' meer, maar had een onbeschrijfelijk
gevoel van ‘neutraliteit’, als niets en alles tegelijk. Wat was dat? Had dit
iets met de denkgeest te maken? A: Het lichaam is eenvoudigweg een illusoire
projectie van de denkgeest, maar het blijft een gedachte in de denkgeest, bezield door het hevige verlangen van de denkgeest
om die gedachte levend te laten lijken, net als in een droom (bv. T27.VIII.1:1-2; WdII.5.3:1). In
feite kan de parallel met onze nachtelijke dromen zeer verhelderend werken. Wanneer
je 's nachts droomt, bewoont je denkgeest dan het lichaam van de figuur die je
denkt te zijn terwijl je droomt? Nee, de droomfiguur is gewoon een gedachte die
wordt uitgespeeld op het scherm van de denkgeest, zolang je denkgeest ervoor
kiest te blijven slapen en dromen. Het lichaam van de droomfiguur is niet
levend, het lijkt alleen te leven en werkelijk te zijn zolang jij aan het
dromen bent (T27.VIII.4). Bij het
ontwaken verdwijnt het, alsof het helemaal nooit heeft bestaan, hoewel het in je
herinnering kan worden vastgehouden, al is het misschien maar voor een vluchtig
moment. Jezus vertelt dat ons wakende ‘leven’ evenzeer een droom is als onze slaapdromen.
En het zelf dat we denken te zijn is een even illusoire figuur als het zelf in
onze nachtelijke dromen, en bestaat alleen in onze denkgeest (T10.I.2; T18.II.5). Ook al is dit
misschien niet zoals we het ervaren, maar het is evenmin zoals we het ervaren wanneer
we ’s nachts dromen en geloven dat we die figuur in onze droom zijn. Om de metafoor van de droom nogmaals
te gebruiken: wat ervaren wordt als een buitenlichamelijke ervaring, zoals die welke
je beschrijft, kan verwant zijn aan een glimp van herkenning dat je, terwijl je
nog steeds droomt, niet een figuur in de droom bent. Maar je bent de denkgeest (of
bewustzijn – ze zijn hetzelfde) die de hele droom droomt, en alles binnen de
droom is jouw projectie. En dus vereenzelvig je je met het geheel, in plaats
van met één van de schijnbare fragmenten binnen de droom die hun eigen afzonderlijke
belangen schijnen te hebben en in conflict met de andere fragmenten en krachten
binnen de droom (T28.II.7:1-4). Vereenzelvigd
met de dromer en zijn totale projectie, in plaats van met sommige figuren
binnen de projectie, kunnen er geen vragen of behoeften zijn. Die zijn
vervangen door een gevoel van neutraliteit of vrede, want je hoeft geen partij meer
te kiezen. Dit geheel blijft als een symbool in de gespleten denkgeest, maar
als het niet wordt gebruikt als een verdediging tegen de schuld in de denkgeest
kan het de heelheid symboliseren die onze ware werkelijkheid is voorbij de
gespleten denkgeest. |