|
V#761 Als God absoluut en één is, hoe kan
er dan een Zoon zijn? Als God absoluut en één is, kan er niets anders
zijn dan Hij. Hoe kan het dan dat er een Zoon is, en waarom? Droomt God van een
Zoon? Is er een schakel tussen God en de wereld, de Heilige Geest of de Zoon,
en zo ja, welke? Als deze wereld een illusie is en God die niet heeft gemaakt,
is het dan zo dat engelen en andere spirituele wezens ook niet bestaan? Bestaan
wíj eigenlijk wel, als tijd niet meer is dan een moment in onze denkgeest dat allang voorbij is? En wat zijn de praktische
gevolgen voor ons dagelijkse leven? Zelfs als wij dit feit erkennen, heb ik
niet het gevoel dat het enig verschil maakt voor ons
normale leven. De wereld houdt niet op te bestaan, ook al proberen we dat. A: Vanuit
het perspectief van de absolute waarheid, heb je gelijk: er kan geen Zoon zijn
die zich onderscheidt van God (WdI.132.12:4).
Alleen binnen de schijnbare droom van de slapende Zoon lijken er twee
wezens te zijn, God en de Zoon. En, anders dan in sommige Oosterse spirituele
leringen, droomt de God van de Cursus niet en is de wereld niet het gevolg van
Zijn dromen maar van die van de Zoon. De Cursus spreekt van de Zoon omdat hij
zich richt tot een denkgeest die gevangen zit in een vals geloof in dualiteit
en afscheiding. Daarom gebruikt de Cursus de symbolen van de gespleten
denkgeest om dit valse geloof te corrigeren, zolang we nog geloven dat we
afgescheiden zijn (T25.I.7:4). Zie
ook de vragen V#27, V#72, V#85, V#228
voor een verdere uiteenzetting over hoe Een
cursus in wonderen tot ons komt in een dualistische taal, ondanks zijn
non-dualistische metafysica. Er is geen schakel tussen God
en de wereld, omdat de wereld niet meer is dan een schimmige projectie van een
illusoire gedachte van schuld in de denkgeest. Er is echter wel een Schakel
tussen God en de schijnbaar slapende denkgeest van de
Zoon. Dat is wat de Cursus de Heilige Geest noemt (T6.I.19:1; T10.III.2:5,6; T 13.XI.8:1; VvT6.3,4). Deze
schakel is geen afzonderlijk wezen, hoewel de Cursus vaak op die manier spreekt
over de Heilige Geest, maar is alleen de herinnering van God (T10.II.2:3-6). Deze
herinnering in onze denkgeest hebben we met ons meegenomen in de droom, omdat
we ons in werkelijkheid nooit kunnen afscheiden van God. Niets binnen het rijk van dualiteit
en afzonderlijke wezens, inclusief engelen, heeft vanuit de Cursus gezien een
werkelijk bestaan. De Cursus gebruikt het concept van engelen weliswaar op
diverse plaatsen, maar alleen als een symbool van Gods Liefde (zie ook V#36 en V#413b). Ook het zelf dat we denken te zijn is onderdeel van het
rijk van dualiteit. Ons ‘ik’ is het valse zelf van het ego, het illusoire zelf waar
we ons allemaal aan vastklampen omdat we het als onze identiteit beschouwen. Het doel van de Cursus is om ons door middel van vergeving of het
loslaten van onze oordelen, te leiden naar het punt waar we er klaar voor zijn
alle concepten die we over onszelf hebben los te laten. Inclusief,
helemaal aan het einde van dat proces, het concept dat we een individueel zelf
zijn, een ‘ik’. Tenslotte is ‘ego’ het Latijnse woord
voor ‘ik’. Ondanks het feit dat de
metafysica van de Cursus ons leert dat tijd al voorbij is, erkent Jezus – zoals
je in je vraag aangeeft - dat dit niet onze ervaring is: “Nu hebben we werk te doen, want zij die in de
tijd leven, kunnen spreken over dingen die daarbuiten liggen, en luisteren naar
woorden die uitleggen dat wat nog komen moet al is voorbijgegaan. Maar welke
betekenis kunnen de woorden overbrengen aan hen die nog steeds de uren tellen
aan de hand waarvan ze opstaan, werken en gaan slapen?” (WdI.169.10:3,4) Maar
toch, als we onszelf toestaan te aanvaarden dat dit idee mogelijk is, ook al is
dat nog niet onze directe ervaring, dan kan het ons in de dagelijkse praktijk helpen
gebeurtenissen iets minder serieus te nemen. Het kan helpen geleidelijk aan
iets minder bezorgd te zijn over hoe dingen uitpakken, wat meer open te blijven
en onszelf waar te nemen in wat we doen, zonder zo koppig controle te willen
houden over de uitkomst. Dat zou allemaal een weerspiegeling zijn van een
steeds diepere vrede, die voortvloeit uit de acceptatie van alles wat is. Dat
is het resultaat van vergeving. En wat zou praktischer kunnen zijn dan dat? |