|
V#61: Over de speciale relatie en
elkaar aanvallen Op dit moment bestudeer ik de speciale
relatie en ik vraag me af: als persoon A woede, wrok, haat enz. jegens persoon B koestert, is het dan aannemelijk dat
persoon B deze gevoelens ziet als deel van zichzelf? En als hij ze voelt,
projecteert hij ze dan terug op persoon A, op een passieve of agressieve
manier? Dan zou persoon B nu dus dezelfde karaktertrekken in persoon A zien. Is
dit dan een cyclus van vernietiging? En als persoon B ze niet terug projecteert
op persoon A (als hij gelooft dat ze waar zijn) is het dan aannemelijk dat hij
ze op zijn eigen lichaam projecteert? Kan dit zich dan manifesteren als ziekte?
Kan ziekte zo een vorm van aanval zijn op zowel onszelf als
op degene met wie we een speciale relatie hebben? A: Ook al lijkt onze
ervaring in de wereld ons iets anders te vertellen, toch heeft niemand de macht ervoor te zorgen dat
iemand anders zich schuldig, gehaat of aangevallen voelt. Deze waarnemingen van
onszelf zijn onlosmakelijk verbonden met onze keuze ons te identificeren met
het ego, die onze ‘natuurlijke’ staat lijkt te zijn, totdat we ons herinneren
dat het anders is. Dus niemand anders onderwijst ons die waarnemingen, ongeacht
hoe iemand ons behandelt. We hebben ze onszelf
geleerd (dat is de fundamentele staat van het ego). Dat komt doordat het
egodenksysteem gebaseerd is op het geloof in zonde en schuld, waar we ons
vervolgens voor proberen te beschermen door de schuld buiten ons op anderen te
projecteren. Het enige effect dat we op de ander
hebben, is dat we een ander herinneren aan wat al in zijn eigen denkgeest
aanwezig is. Dus ik kan voor jou een herinnering zijn
aan je zonde, schuld en angst, wanneer ik kies voor het ego als mijn leraar. Ik
kan jou ook herinneren aan de liefde en vergeving die in ons beiden aanwezig
zijn, wanneer ik kies voor de Heilige Geest als mijn leraar. Maar jij maakt
altijd eerst zelf de keuze voor het denksysteem waarmee je je identificeert, en
mijn keuze kan alleen de keuze die jij al gemaakt hebt versterken. Maar wanneer
jij de keuze voor het ego hebt gemaakt en ik mij de Heilige Geest herinner, dan
dien ik als een geheugensteun voor jou dat er ook in jouw denkgeest een andere
keuze aanwezig is. In het eerste hoofdstuk van het
Tekstboek legt Jezus uit: “wanneer je
projecteert … op anderen zet je hen gevangen, maar alleen in zoverre jij
vergissingen versterkt die zij al hebben begaan. Dit [hun vergissingen] maakt hen gevoelig voor de vervormingen van
anderen, aangezien hun eigen waarneming van henzelf is vervormd” (T1.III.5:9,10). Dus in die zin creëren we inderdaad met
elkaar een vicieuze cirkel van aanval en tegenaanval, de ‘cyclus van
vernietiging’ zoals je hem noemt, die de waarneming van schuld in onszelf en in
elkaar versterkt. Maar de oorsprong van de schuld en van
al zijn vertakkingen in de denkgeest is dus nooit iets of iemand in de wereld
buiten onszelf, maar uitsluitend onze eigen keuze. Het enige doel van de wereld
en al zijn personages is om te dienen als een rookgordijn om dat feit verborgen
voor ons te houden. En zo lijkt het inderdaad alsof anderen de oorzaak zijn van
het beeld dat ik over mijzelf heb (T31.V.5). Wat het
tweede deel van je vraag betreft: de schuld over de afscheiding in onze
denkgeest – waar we zelf voor gekozen hebben - is zo ondraaglijk dat het
geprojecteerd moet worden, zodat we het in de ander
zien in plaats van in onszelf. En we kunnen het projecteren door een directe
aanval op de ander met wie we een speciale relatie hebben, of door een aanval
op ons eigen lichaam, uitgedrukt in een vorm van ziekte. Dat laatste is
inderdaad niet alleen een aanval op onszelf maar tevens op de ander. Zoals
Jezus levendig beschrijft in “Het beeld van de kruisiging” (T27.I) – “Een ziek en lijdend jij vertegenwoordigt slechts jouw
broeders schuld, de getuige die jij zendt opdat hij de verwondingen maar niet
vergeten zou die hij heeft toegebracht, en waaraan hij nooit ontsnappen zal, zo
heb jij jezelf gezworen. Jij aanvaardt
dit ziekelijke en armzalige beeld, als het maar dienen kan om hem te straffen”
(T27.I.4:3,4). Hoe kunnen we de ogenschijnlijk
eindeloze cyclus van aanval en tegenaanval doorbreken? De oplossing heeft niets
te maken met de ander, maar alles met een veranderde waarneming van onszelf,
met de hulp van de Heilige Geest. De zonde en schuld die we in onze denkgeest
tot werkelijkheid hebben gemaakt zijn een aanval op onszelf, omdat we geloven
dat we ons konden afscheiden van God. Maar dat heeft nooit werkelijk
plaatsgevonden en het is nodig dat te erkennen. Zoals de Cursus zegt: “Je zult nooit beseffen dat aanvallen
volslagen nutteloos zijn, tenzij je erkent dat jouw aanval op jezelf geen
gevolgen heeft. Want anderen reageren zeker op een aanval als ze die
waarnemen, en als jij hen probeert aan te vallen, zul je niet kunnen vermijden
dit als een bekrachtiging te interpreteren. De enige plaats waar je al zulke
bekrachtiging kunt opheffen is in jezelf. Want jij bent altijd het eerste
mikpunt van je eigen aanval, en als die nooit heeft plaatsgehad, heeft hij geen
gevolgen” (T12.V.3; cursief toegevoegd).
|