|
V#59: Hoe te vergeven? Hoewel ik al lange tijd de
Cursus bestudeer heb ik nog niet echt helder wat vergeving werkelijk is. Een
voorbeeld is dat mijn ego-denkgeest iemand bestempelt als een domoor. Dan weet
ik op een bepaald niveau dat ik onmogelijk gelijk kan hebben met dat
waardeoordeel – ik ken deze persoon niet echt en bovendien kan ik niet oordelen
over iemand anders, hoewel ik het soms wel doe. Dus wat is de volgende stap?
Niet alleen heb ik oneerlijk geoordeeld, ik voel me er ook nog schuldig over. A: Wanneer je een paar minuten
uittrekt om anders te denken over jouw oordeel over een andere persoon, zoals
je in je vraag beschrijft, dan ben je het vergevingsproces al begonnen: “Een
licht is de duisternis binnengegaan”(H1.1:4). De eerste stap is de bereidwilligheid
te erkennen dat je ongelijk hebt met je waardeoordeel, en dat er een andere
manier is om naar deze persoon te kijken. De volgende stappen zijn: bereid zijn
het oorspronkelijke oordeel los te laten, vragen om een andere waarneming, en
de nieuwe waarneming aanvaarden wanneer die tot je komt. Dit betekent niet dat
je niet langer mensen dwaze dingen ziet doen.
Het betekent dat je de ware identiteit van die persoon niet verwart met het dwaze
gedrag. Dat je hem er niet om veroordeelt en het ook niet als een ‘zonde’
beschouwd. Mensen doen en zeggen dwaze dingen, dat is een feit. Maar er zijn twee
interpretaties: die van het ego en die van de Heilige Geest. Het ego zegt: dit dwaze
gedrag maakt hem tot een ‘domoor’. De Heilige Geest (vergeving) zegt: dit dwaze
gedrag verandert niet het werkelijke feit dat hij geen ‘zondaar’ is en mijn
veroordeling niet verdient. Dit geldt ook voor de oordelen tegen jezelf. Je
kunt zeggen dat het dwaas gedrag is om iemand een ‘domoor’ te noemen. Dat
betekent niet dat jij een zondaar bent die straf verdient, maar dat je je
vergist hebt en behoefte hebt aan een nieuwe waarneming, een correctie,
vergeving. De schuld die lijkt op te komen aan het einde van het proces, nadat
je een persoon als ‘domoor’ bestempeld hebt, was in feite al aanwezig in de denkgeest
voordat je ‘aanviel’. De schuld werd naar buiten geprojecteerd op de ‘domoor’
in de vorm van het oordeel, dat vervolgens de schuld leek te veroorzaken. Dit
is een voorbeeld van het onderricht van de Cursus: “Ideeën verlaten hun bron
niet, en hun gevolgen lijken er alleen maar los van te staan. Ideeën zijn eigen
aan de denkgeest. Wat naar buiten is geprojecteerd en schijnbaar buiten de
denkgeest ligt, is helemaal niet buiten, maar een gevolg van wat zich vanbinnen
bevindt, en zijn bron niet heeft verlaten”(T26.VII.4:7-9). De oorsprong van
het proces is een gedachte van afscheiding in de denkgeest, gevolgd door een
oordeel tegen jezelf over die gedachte, en schuldgevoel omdat je dit gedacht
hebt. De schuld wordt dan naar buiten geprojecteerd op iemand anders in de vorm
van een aanval. Vervolgens keert deze terug naar de denkgeest in de vorm van
schuld over die aanval. Dat is het circulaire denken van het schuldspel van het
ego. Vergeving vraagt dat we de oorspronkelijke gedachte herkennen en
verantwoordelijkheid aanvaarden voor het proces. De manier waarop je jezelf
voor het oorspronkelijke idee van afscheiding vergeeft is door de ‘domoor’ te
vergeven door hem niet als anders dan jezelf te zien: iemand die genezing en
correctie nodig heeft. En door hem te zien in zijn ware identiteit, als een
heilige Zoon van God, net als jij: “Laat de vorm van zijn vergissingen jou
niet weghouden van hem wiens heiligheid de jouwe is. Laat de visie van zijn
heiligheid, waarvan het zicht jou je vergeving zou tonen, je niet worden
onthouden door wat de ogen van het lichaam kunnen zien. Laat je bewustzijn van
je broeder niet worden belemmerd door jouw waarneming van zijn zonden en zijn
lichaam. Wat is er in hem aanwezig dat jij wilt aanvallen, behalve wat jij in
verband brengt met zijn lichaam, dat naar jouw overtuigingen zondigen kan?
Achter zijn vergissingen staan zijn heiligheid en jouw verlossing. Je hebt hem
zijn heiligheid niet gegeven, maar je hebt wel geprobeerd jouw zonden in hem te
zien om jezelf te redden. En toch: zijn heiligheid is jouw vergeving” (T22.III.8:1-7). |