|
V#565: Waarom kiezen wij
voor reïncarnatie? Als leerling van Een cursus in wonderen is het mijn doel
de verzoening voor mezelf te aanvaarden en te leven boven het slagveld, in de
werkelijke wereld, tot mijn lichaam sterft
en ik één ben met God. Zal ik me dan nog steeds bewust zijn van de mensen die
ik achterlaat en zal ik hen kunnen beïnvloeden? En wanneer mensen sterven die
nooit van de Cursus gehoord hebben en volkomen opgaan in hun lichaam, kunnen
zij na de ‘dood’ nog steeds kiezen voor afscheiding? En verlangen zij ernaar om terug te
keren? Is dit een verklaring voor reïncarnatie? Of worden zij dan toch
automatisch één met God, na de dood? Als je eenmaal één bent met God, waarom
zou je dan weer naar een lichaam verlangen en kiezen om te reïncarneren! A: De manier waarop de
Cursus naar de dood kijkt is anders dan de manier waarop we er gewoonlijk naar
kijken of hoe religies ermee om gaan. In tegenstelling tot oosterse en westerse
tradities, onderwijst de Cursus dat we niet hoeven te wachten op de dood van
het lichaam om één te worden met God. De dood van het lichaam heeft niets te
maken met het wel of niet één zijn met God. Blijven geloven dat we niet één zijn met God en ontkennen dat
we de waarheid ontkennen, is uitsluitend een zaak van de keuze in onze denkgeest. De omkering van de
ego-waarneming (dat het lichaam een werkelijke en onafhankelijke entiteit is
dat de ziel huisvest die bevrijdt wordt bij de dood van het lichaam) is het
doel van het wonder. Ons lichaam is een gedachte die nooit zijn bron in de
denkgeest verlaat, en vertegenwoordigt enkel de keuze van de denkgeest: “de uiterlijke weergave van een innerlijke
toestand” (T21.In.1:5). De cruciale factor is
daarom, de keuze die we in onze denkgeest maken, om wel of niet te zijn zoals
God ons geschapen heeft. Wanneer we de waarheid
aanvaarden van onze eenheid, en de illusie van afscheiding van God afwijzen, zal
onze denkgeest, nu vrij van schuld, uitsluitend geleid worden door liefde en
dat kan wel of niet resulteren in het afleggen van ons lichaam. Dan is de dood
een keuze; er is geen wachten op de dood van het lichaam, zodat men naar huis
terug kan keren. Zie Het Lied van het Gebed (L3.II) voor
een uiteenzetting over de dood als keuze vanuit het juist gerichte denken. Liefde kan het lichaam nodig hebben
als een geschikte vorm van uitdrukking voor andere denkgeesten die nog bang
zijn voor abstracte liefde. Maar als je in de werkelijke wereld bent, zul je reeds weten dat het lichaam niet je identiteit is. Je bent
volledig aanwezig voor de liefde, en de liefde is volledig aanwezig voor jou.
Daar heeft het lichaam niets mee te maken. In de werkelijke
wereld zou er geen jij zijn (een
afgescheiden identiteit) die zou besluiten of hij anderen ‘die achtergebleven
zijn’ zou helpen. Daar is alleen de waarneming van de Heilige Geest: we
geven liefde of we vragen er om. En zij die om liefde vragen wachten enkel op
hun eigen beslissing om te aanvaarden wat reeds aanwezig
is. Tenslotte is de vraag waarom je weer naar een lichaam zou
verlangen en opnieuw zou kiezen om te reïncarneren als je één bent met God, een
favoriete valkuil van het ego. Want die vraag stellen is aannemen dat het al
eerder is gebeurd, terwijl het verzoeningsprincipe een verklaring is van de
onmogelijkheid ervan. Bovendien maakt die vraag het lichaam tot vijand en dus
werkelijk. |