|
V#55a: Verborgen haat naar
goede mensen. Kun je me helpen te begrijpen
waarom we heimelijk diegenen moeten haten die over positieve kwaliteiten beschikken
die wijzelf niet hebben, zoals bijzonder spiritueel zijn, onbaatzuchtigheid,
vriendelijkheid enzovoort? A: Het ego zou ons dit
uitleggen op grond van zijn ‘wet’ “dat
je bezit wat je genomen hebt” (T23.II.9,10). Deze ‘wet’ berust op het
fundamentele geloof van het ego in afscheiding en verschil. Verschillen zijn werkelijk
en belangrijk, en moeten beoordeeld worden (de hiërarchie van illusies van het
ego). De verborgen oorsprong hiervan in onze denkgeest is ons geloof, dat we zijn
geworden wie we zijn door ons bestaan van God te stelen. Hij wilde ons niet het
speciale, individuele bestaan geven dat wij wilden, dus hebben we het zelf
genomen en Hem achtergelaten, ogenschijnlijk vernietigd en ‘buiten beeld’. We
hebben deze diefstal gerechtvaardigd door de verantwoordelijkheid daarvoor te
projecteren en te verklaren dat God ons heeft onthouden wat ons rechtmatig
toebehoorde. Dit is de mythologische vertolking van de Cursus van de oorsprong
van ons bestaan. In dit verhaal zitten uiteraard veel meer niveaus en
dynamieken, maar dit is het aspect dat relevant is voor jouw vraag. Deze kernovertuiging over
onszelf is de bril waarmee we elkaar waarnemen. Dus wanneer we van anderen
denken dat zij over kwaliteiten beschikken die wij missen maar wel zouden
willen hebben, dan moeten we automatisch – hoewel onbewust – de conclusie trekken
dat deze kwaliteiten oorspronkelijk aan ons toebehoorden en ons werden ontstolen.
Nogmaals: dit komt voort uit het diep verborgen geloof dat we van God hebben afgenomen
wat ons rechtmatig toebehoorde, een verdraaiing van wat we werkelijk geloven,
namelijk dat we God op brute wijze hebben ‘vermoord’, zodat wij konden bestaan zoals
wij dat wilden, en niet zoals Hij ons
geschapen heeft. Dit is het egodenksysteem. De andere kant hiervan is, dat zelfs
als we denken dat we alleen maar kwaliteiten in anderen bewonderen, we toch heimelijk
het egodenksysteem van afscheiding in stand houden. Jezus corrigeert deze valse
overtuigingen door ons te helpen kijken naar onze behoefte om anderen te zien als anders dan onszelf, zowel in
positieve als negatieve zin. Wanneer we zien waar deze behoefte vandaan komt en
deze kunnen gaan beoordelen als niet meer dan een “nietig, dwaas idee” – iets om alleen maar zachtjes om te lachen –
dan zijn we gereed voor de omslag naar Jezus’ manier van kijken naar elkaar.
Hij wil dat we leren zien dat we allemaal een gemeenschappelijk belang delen, zowel
in onze onjuist gerichte denkgeest – gemotiveerd door angst – als in onze juist
gerichte denkgeest – gemotiveerd door de bereidheid ons met hem te verbinden en
ons geloof in afscheiding ongedaan te maken. De verschillen die we waarnemen
worden dan steeds minder belangrijk voor ons, en we zullen steeds meer geneigd
zijn te zien wat ons allen gelijk maakt. Onze weerstand hiertegen is echter
veel sterker dan we beseffen. De wereld waardeert onophoudelijk ‘verschillen
die het verschil maken’ en dus zal deze uitnodiging om onze manier van
waarneming te veranderen op felle weerstand stuiten. Wat dit alles uiteindelijk betekent,
is dat je nooit echt van iemand kunt houden die je als anders dan jouzelf ziet.
Het is de moeite waard daar diep over na te denken. Een uitstekend voorbeeld
hiervan is Jezus, in het bijzonder voor studenten van de Cursus. Zoals we weten
identificeerde de Bijbel hem als Gods ‘eniggeboren Zoon’, de onschuldige,
zondeloze Zoon die gekruisigd moest worden voor onze zonden. Aldus wordt hij al
duizenden jaren afgeschilderd als kwalitatief, ontologisch (wezenlijk -vert.) verschillend
van ons. Het is moeilijk om je werkelijk innig verbonden te voelen met iemand
die zoveel meer is dan wij ooit kunnen bereiken, en die gedood werd wegens onze
zondigheid. Jezus stelt dit in de
Cursus op heel veel verschillende manieren aan de orde. Die komen er
fundamenteel op neer dat hij ons nadrukkelijk vraagt dit beeld van hem te zien als
iets dat uitsluitend afkomstig is van de obsessie van het ego met afscheiding,
schuld en opoffering. Het is eenvoudigweg niet liefdevol. Dit is een van de
belangrijkste correcties die hij in zijn Cursus naar voren brengt. Hij zegt dat
hij verschillend is, maar alleen tijdelijk, en “aan zijn zijde gaan is even natuurlijk als aan de zijde van een broer
gaan die jij vanaf je geboorte kent, want dat is hij voorwaar” (VvT5.5:6).
Jezus wil dat we onze gelijkheid zien; het ego wil dat we onze verschillen
zien. |