|
V#359 Wat is er werkelijk
aan de hand wanneer iemand mij liefheeft maar ik hem niet? Ik heb een vriend die denkt
dat ik verliefd op hem ben, hoewel hij weet dat ik een echtgenoot en kinderen
heb. Ik voel genegenheid voor hem omdat hij me geleerd heeft om door een paar moeilijke
periodes heen te komen. Misschien heeft hij mijn genegenheid verkeerd begrepen,
dat weet ik niet. Ik voel me erg ontmoedigd en in de verleiding om ergens
anders opnieuw te beginnen. Ik heb het knagende gevoel
dat deze relatie een terugkerende patroon in mijn leven weerspiegelt: een echte
tweeslachtigheid om mij met iemand te verbinden zoals de Cursus verbinding
definieert. Ik lijk relaties te creëren waarin ik uiteindelijk kan rechtvaardigen
dat ik de ander wegduw, zowel emotioneel als fysiek, terwijl ik het
tegelijkertijd nodig heb om aardig gevonden te worden door die persoon. Ik
veronderstel dat deze twee eigenschappen van mij gewoon gecompliceerde vormen
van zelfhaat zijn. In een soortgelijke vraag (V#180) adviseerde je een student om zich te concentreren op het
genezen van de onderliggende schuld in haar denkgeest die door de onbeantwoorde
‘liefde’ aan het licht was gebracht, en dat wanneer zij eenmaal genezen was,
haar onzekerheid over de relatie zou verdwijnen. Kan ik ervan uitgaan dat
het antwoord op mijn dilemma hetzelfde is als voor de student in V#180? A: Ja; hoewel de vorm van
de relatie die je beschrijft verschilt van de relatie beschreven in V#180 is de inhoud en ook de
oplossing hetzelfde. Feitelijk is het altijd hetzelfde! Het terugkerende
patroon dat je in je relaties herkent weerspiegelt een ambivalentie of
tweeslachtigheid die noodzakelijkerwijs alle
relaties karakteriseert die op het ego zijn gebaseerd. Het probleem is nooit de
vorm van de relatie, maar het doel dat wij eraan geven - het versterken van ons
geloof in afscheiding en schuld - hoewel we dat doel natuurlijk voor onszelf
verborgen houden. De volgende passage in de Cursus beschrijft heel duidelijk
onze zelfhaat – met als oorsprong de ontkenning van God door ons ego - als de
dynamiek die aan al onze relaties in de wereld ten grondslag ligt: “Jij die je met je ego vereenzelvigt, kunt
niet geloven dat God jou liefheeft. Jij houdt niet van wat je hebt gemaakt [het ego] en wat jij gemaakt
hebt houdt niet van jou. Omdat het gemaakt is uit de ontkenning van de Vader,
is het ego niet trouw aan zijn maker. Jij kunt je de werkelijke relatie die
tussen God en Zijn scheppingen bestaat niet voorstellen vanwege je haat voor
het zelf dat jij hebt gemaakt. Jij projecteert het besluit tot afscheiding op
het ego, en dit botst met de liefde die je voor het ego voelt omdat jij het
hebt gemaakt. Er is in deze wereld geen liefde zonder deze tweeslachtigheid,
en aangezien geen enkel ego ooit liefde zonder tweeslachtigheid heeft ervaren
is dit concept voor hem niet te bevatten. Liefde doet onmiddellijk haar intrede
in iedere denkgeest die haar oprecht verlangt, maar hij moet haar wel oprecht
verlangen. Dit betekent dat hij er zonder tweeslachtigheid naar verlangt, en
dit soort verlangen is volkomen gespeend van de ‘drang om te halen’ waarmee het
ego is behept” (T4.III.4; cursief toegevoegd). Met andere woorden: als
God, onze Bron, louter Liefde is, maar we proberen iets anders te zijn dan een
deel van die Liefde, dan kiezen we tegen de liefde die we zijn, en geloven vervolgens
dat we onszelf ervan beroofd hebben. Het ego-zelf dat we maken als vervanging
van God en ons ware Zelf, moet daarom het tegenovergestelde zijn van liefde,
dus haat. Hoewel we worden aangetrokken tot wat we gemaakt hebben omdat het van
onszelf is, verwijten we het óók het verlies van liefde dat we voelen. En dus
kan iedere ‘liefde’ binnen het egodenksysteem van afscheiding niet anders zijn
dan een tweeslachtige combinatie van aantrekking en haat. Aangezien we ons met het
ego identificeren, is dit in werkelijkheid zelfhaat. Omdat we deze zelfhaat
ondraaglijk vinden, verzinnen we een wereld met afgescheiden broeders die we
verantwoordelijk houden voor het gebrek aan liefde dat we voelen. En dan zoeken
we naar die liefde in anderen, en verwijten hen tegelijkertijd dat ze die van
ons afpakken en ons beroven van wat we volhouden dat ons rechtmatig toekomt.
Zodoende ontkennen we aldoor dat het onze eigen keuze was die ons in deze
treurige situatie bracht. Alle relaties in de wereld, of ze nu een romantische
component bevatten of niet, hebben deze tweeslachtige dynamiek, zolang we het
ego - het geloof in de werkelijkheid van de afscheiding - blijven kiezen als
onze gids en leraar. Want ze zijn altijd gebaseerd op de veronderstelling dat
er iets ontbreekt in mij en dat het buiten mij gevonden moet worden. Maar het
is onvermijdelijk dat de ander uiteindelijk zal falen in het vervullen van mijn
behoeften. En dus lijkt er niets anders op te zitten dan deze relatie te
beëindigen en op zoek te gaan naar een andere, in de hoop dat de volgende
relatie wel werkt. Wat nooit zo is. Want het motto van het ego, dat schuilgaat
onder al zijn inspanningen, is deze: “Zoek,
maar vind niet” (T16.V.6:5). Liefde hoeft niet gevonden,
noch verdiend, noch gehaald te worden. In feite is dat allemaal niet mogelijk.
Liefde kan alleen herinnerd worden. En we herinneren ons Liefde door haar oprecht
te willen, wat betekent dat we niets anders willen. Het betekent dat we niets van
het speciale vertoon van het ego willen, wat enkel vermomde schuld is. We
moeten de ‘drang om te halen’ opgeven, welke vorm die ook aanneemt, inclusief
de behoefte om aardig gevonden of gewaardeerd te worden. Maar voordat we het
zoeken vanuit het ego kunnen opgeven, moeten we eerlijk kijken naar wat het
inhoudt, en erkennen wat de onderliggende inhoud werkelijk is: verlies, woede
en aanval. Anders zullen we niet bereid zijn het los te laten en voelt het
alsof we gedwongen worden iets op te offeren wat we graag willen en nodig
hebben. En dus is het probleem
altijd schuld of zelfhaat en de oplossing altijd het blootleggen van die
schijnbare innerlijke vloek. En door de vereniging met Jezus of de Heilige
Geest, de weerspiegelde Aanwezigheid van liefde in onze denkgeest, kan de
onwerkelijkheid ervan worden herkend. Want als liefde aanwezig is om mét ons te
kijken naar ons oordeel tegen onszelf omdat we liefde de rug toekeerden en aanvielen,
dan kan de aanklacht tegen onszelf eenvoudig afgewezen worden (T5.VI.10). Op die momenten dat we
genezing aanvaarden, kunnen we een herinnering zijn voor anderen – met wie we verschillende
relaties onderhouden - zodat ook zij de keuze kunnen maken om naar binnen te
kijken in plaats van buiten zichzelf te zoeken. En het zijn niet de woorden die
we spreken die de herinnering vormen. Het is eenvoudigweg de niet-ambivalente
liefde en acceptatie die door ons heen vloeien - liefde die niets zoekt en van iemand iets eist – die zal dienen
als geheugensteun voor hen en in onszelf de herkenning versterkt. |