|
V#24 Over reïncarnatie Een cursus in wonderen lijkt indirect naar reïncarnatie te verwijzen. Als we in
werkelijkheid niet sterven, maar in plaats daarvan ‘dit lichaam slechts
afleggen’, keren we dan in een ander lichaam terug of zetten we onze lessen op een
ander niveau voort? A: Jezus lijkt in de Cursus inderdaad indirect naar reïncarnatie te verwijzen.
Maar om te begrijpen wat hij zegt en om je vraag te beantwoorden, moeten we
niet vergeten dat hij ons in de Cursus altijd aanspreekt op het niveau van de
denkgeest, het enige niveau waar het ware leren plaatsvindt. En meer concreet
spreekt hij tot dat deel van onze denkgeest dat moet kiezen tussen het ego en
de Heilige Geest, tussen haat en liefde, tussen dood en leven. “Maar bedenk wel dat begrijpen afkomstig is van de denkgeest en
enkel de denkgeest” (T15.VI.7:5). Hij zegt in de Cursus dat dit ‘leven’ een droom is, dat de wereld
een illusie is, dat het lichaam niet sterft, omdat het lichaam niet leeft (T19.IV.C5:2-5) en dat onze ervaring
van tijd gewoon deel uitmaakt van die illusie. Onze ‘droom’ is altijd en alleen
een weerspiegeling van de keuze die wij hebben gemaakt om ofwel het doel van
het ego te dienen om schuld en geloof in de afscheiding te versterken, of het
doel van de Heilige Geest om te vergeven en het geloof in de afscheiding
ongedaan te maken. Daarom doet de vorm van de droom er nooit toe, en wanneer de
vorm verandert, gaat het leren - of het kiezen - gewoon in de denkgeest verder. Wanneer je dus een passage leest die indirect naar reïncarnatie
lijkt te verwijzen, kun je dat het beste niet alleen op het niveau van onze
ervaring binnen de droom begrijpen, maar ook als het idee van terugkeren naar
niet-vergeven delen. Misschien is het van nut om aan ‘gelijktijdige’ dromen te
denken, of een hologram als model te nemen, waar je het geheel in ieder deel
kunt vinden. Wanneer de denkgeest ‘terugkeert naar’ dromen of aspecten van het
hologram, kan dit worden gezien als verschillende ‘levens’ ervaren. Jezus zegt in het Handboek dat geloof in het idee
van reïncarnatie geen vereiste is voor deze Cursus. Hij zegt in feite dat het
alleen waarde heeft voorzover het zijn studenten ‘behulpzaam’ is of troost
brengt. “In uiteindelijke zin is
reïncarnatie onmogelijk. Er is geen verleden of toekomst, en het idee van
geboorte in een lichaam heeft geen betekenis, noch één keer, noch meerdere
keren. Reïncarnatie kan dan ook in geen enkele werkelijke zin waar zijn” (H24.1:1-3). “Onder geen enkele
omstandigheid zou reïncarnatie het probleem zijn waar men zich nu mee bezig moet houden. Het staat
echter vast dat de weg naar verlossing zowel gevonden kan worden door hen die
wel als door hen die niet in reïncarnatie geloven. Het idee kan daarom niet
beschouwd worden als essentieel voor het leerplan. Er is altijd enig risico aan
verbonden het heden te zien in termen van het verleden. Er schuilt altijd iets
goeds in elke gedachte die het idee versterkt dat leven en lichaam niet
hetzelfde zijn” (H24.2:1,5-8). Wanneer we het feit
kunnen aanvaarden dat tijd niet lineair is, verliest het begrip reïncarnatie
zijn betekenis. Maar zolang we geloven dat we afgescheiden individuen zijn,
gaat de les verder in welke vorm ook die we kunnen aanvaarden en begrijpen, tot
we waarlijk leren dat onze werkelijkheid geest is en dat we altijd “…thuis
in God [zijn] en (slechts) van ballingschap [dromen]” (T10.I.2:1).
Wanneer we de Verzoening op die manier voor onszelf aanvaarden, komt er een
einde aan alle dromen. |