V#194: Waar zegt de Cursus dat de wereld niet werkelijk is?
Je legt op veel plaatsen uit
dat Een cursus in wonderen
compromisloos is over het feit dat de wereld niet bestaat. Kun je de passages
uit het Tekstboek of het Werkboek vermelden waaruit blijkt dat dit zo is?
A: Dit is een belangrijk thema en in feite het
fundament van het hele denksysteem van Een
cursus in wonderen. We geven hieronder een aantal referenties en verwijzen
tevens naar V#111. Ons boek Glossary-Index for A Course in Miracles
kan ook behulpzaam zijn; zie onder het trefwoord ‘world’’. Wanneer de belangrijkste principes geďdentificeerd zijn
kun je zien hoe deze op verschillende manieren tot uitdrukking worden gebracht.
Bijvoorbeeld: als alleen wat God geschapen heeft bestaat, en God alleen
geschapen heeft wat eeuwig en oneindig is, dan kan iets wat niet van God komt
niet bestaan. Dat wil zeggen: de veranderende, begrensde kosmos.
Hier volgt een aantal passages:
1) “Waarneming is geen eigenschap van God. Hem behoort het rijk der
kennis… In God kun je niet zien. Waarneming heeft geen functie in God en
bestaat niet.” (WdI.43.1:1,2; 2:1,2)
2) “Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de cursus
probeert te onderwijzen.” (WdI.132.6:2,3)
Er zijn nog andere uitspraken
in deze les die de onwerkelijkheid van deze wereld onderstrepen, zoals: “Hoe kan een wereld van tijd en plaats
bestaan, als jij blijft zoals God jou geschapen heeft?” (9:4); “Er is geen
wereld, omdat ze een gedachte is los van God, gemaakt om de Vader en de Zoon te
scheiden, en een deel van God Zelf weg te breken en zo Zijn Heiligheid te
vernietigen. Kan een wereld die voortkomt uit dit idee, werkelijk zijn? Kan ze
ergens zijn?” (13:1-3)
3) “Ik ben zoals God mij geschapen heeft”; “Wat is jou gegeven? De
kennis dat jij een denkgeest bent, in de Denkgeest en zuiver denkgeest, voor
eeuwig zonder zonde, volkomen zonder angst, omdat jij uit liefde werd
geschapen. Je hebt jouw Bron niet verlaten, want jij bent nog steeds zoals je
werd geschapen.” (WdI.158.1:1-3)
4) “Zonde is de bakermat van alle illusies, die slechts staan voor
denkbeeldige zaken voortkomend uit gedachten die onwaar zijn. Ze zijn het
‘bewijs’ dat wat geen werkelijkheid heeft, toch werkelijk is. Zonde ‘bewijst’
dat Gods Zoon slecht is, dat aan tijdloosheid een eind moet komen, en dat
eeuwig leven sterven moet. En God Zelf heeft de Zoon verloren die hij
liefheeft, waarbij Hem niets rest dan verval om Hem compleet te maken, Zijn Wil
voor eeuwig door de dood overwonnen is, liefde is vermoord door haat, en vrede
niet langer bestaat.” (WdII.4.3)
5) “Maar wat als je inzag dat deze wereld een hallucinatie is? En
wat je als werkelijk begreep dat jij haar hebt bedacht? Wat als je besefte dat
degenen die erin lijken rond te lopen om te zondigen en te sterven, aan te
vallen en te moorden en zichzelf vernietigen, totaal onwerkelijk zijn?”
(T20.VIII.7:3,4,5)
6) “Er is geen leven buiten de Hemel. Waar God leven heeft
geschapen, daar moet leven zijn… Leven dat niet in de Hemel is, is onmogelijk
en wat niet in de Hemel is, is nergens.” (T23.II.19.1,2,6)
7) “Gods wetten gelden niet rechtstreeks voor een wereld die door
waarneming wordt geregeerd, want zo’n wereld zou niet geschapen kunnen zijn
door de Denkgeest, waarvoor waarneming geen betekenis heeft. Toch worden Zijn
wetten overal weerspiegeld [door de Heilige Geest]. Niet dat de wereld waar deze weerspiegeling zich bevindt ook maar
enigszins werkelijk is. Dat is ze alleen omdat Zijn Zoon dat gelooft, en Hij
Zichzelf niet volledig gescheiden kan laten zijn van wat Zijn Zoon gelooft. Hij
kon zich niet samen met Zijn Zoon in diens krankzinnigheid begeven.”
(T24.III.2)
8) “Deze wereld is zonder oorzaak…” (T28.II.6:1)
9) “Ze [je ogen en oren] werden gemaakt om een wereld te zien die er niet is, en om stemmen te
horen die geen geluid kunnen maken.” (T28.V.5:4)
10) “Wat eeuwig lijkt zal
allemaal een einde kennen. De sterren zullen verdwijnen en er zal geen dag of
nacht meer zijn. Alle dingen die komen en gaan, de getijden, de seizoenen en de
levens van de mensen, alle dingen die met de tijd veranderen, opbloeien en
wegsterven, zullen niet terugkeren. Daar waar de tijd een eind heeft gesteld is
niet waar het eeuwige is.” (T29.VI.2:7-10)
11) “Kan wat geen begin heeft werkelijk eindigen? De wereld zal
eindigen zoals ze begon: in een illusie.” (H14.1:1,2)
12) “De wereld die jij ziet is een illusie van een wereld. God
heeft die niet geschapen, want wat Hij schept kan alleen maar eeuwig zijn als
Hijzelf. Maar in de wereld die jij ziet is er niets dat eeuwig standhoudt.
Sommige dingen zullen in de tijd een poosje langer duren dan andere. Maar de
tijd zal komen dat aan het zichtbare een einde komt.” (VvT.4.1)
13) “…dat het onware onwaar is, en het ware nooit is veranderd.”
(WdII.10.1:1)
14) “Wat is verlossing toch eenvoudig! Al wat ze zegt is dat wat
nooit waar was nu niet waar is, en dat nooit zal zijn. Het onmogelijke is niet
gebeurd, en kan geen gevolgen hebben. En dat is alles.” (T31.I.1:1-4)