|
V#16: De werkelijkheid van het lichaam Wanneer ik in meditatie tegen
mezelf zeg dat ik geen lichaam ben en vrij, dan voel ik gemoedsrust. Maar zodra
ik mijn ogen open, dan is het er weer: mijn lichaam. Dat maakt me niet zozeer
van streek als wel dat het me verwart. Als ik naar mezelf kijk heb ik het
gevoel dat ik mooi ben, maar ik ben bang dat ik daarmee misschien juist weer het
ego voed in plaats van te waarderen wat ik heb. Ik vind het een lastige kwestie.
Hoe denk jij hierover? A: Hoewel de Cursus ons
op veel plaatsen laat weten dat we geen lichaam zijn (bijv. Les 199 en de daarop volgende
herhalingslessen), erkent hij ook dat we er heel veel belang aan hechten onszelf
als een lichaam te zien. Jezus merkt
op: ”Kijk naar jezelf, en je ziet een
lichaam. …zonder licht lijkt het verdwenen. Toch ben je er gerust op dat het er
is, omdat je het nog altijd met je handen kunt voelen en het kunt horen
bewegen. Ziehier een beeld waarvan jij
wilt dat jij het bent. Het is het middel waarmee jouw wens werkelijkheid
wordt.” (T24.VII.9:1,3-6 cursief
toegevoegd). We mogen dan, zoals je
beschrijft, kortstondige ervaringen hebben waarin we onze identificatie met het
lichaam lijken te overstijgen, maar het is niet waarschijnlijk dat we dit lang
vast kunnen houden, omdat we dat niet werkelijk willen. Dat we onszelf zien als
een afgescheiden, speciaal, individueel zelf is onze “wens [die] werkelijkheid wordt”. En ons lichaam bevestigt die identiteit.
De Cursus vertelt ons dat wijzelf weliswaar degenen zijn die dit beperkte zelf als
onze identiteit hebben gekozen en gemaakt (in fantasie maar niet in
werkelijkheid), maar dat wij voor die beslissing geen verantwoordelijkheid wilden
aanvaarden. En dat komt omdat wij diep in ons onderbewustzijn het (verzonnen)
geloof hebben, dat we dit afgescheiden zelf hebben verworven door een aanval op
de Eenheid van God en onze ware Identiteit als geest; volgens ons ego een afgrijselijke
zonde van vernietiging en moord. Dus zodra we een lichaam lijken te zijn dat
uit andere lichamen ter wereld is gekomen, lijkt ons afgescheiden bestaan
helemaal niet van eigen makelij te zijn. Onze ouders hebben ons gemaakt. En
soms geloven we zelfs, tot grote vreugde van ons ego, dat God op een of andere
manier bij deze speciale ‘schepping’ van ons individuele zelf betrokken was,
zoals veel religies leren. De Cursus weet hoe sterk we
ons met het lichaam identificeren en hoe bang we zijn om de bescherming los te
laten, waarvan we geloven dat het lichaam die biedt. Dus is het doel van de
Cursus niet om onze identificatie met ons lichaam op te geven (dat gebeurt pas helemaal
aan het einde). De Cursus onderwijst ons hoe we het lichaam een ander doel
kunnen geven dan het oorspronkelijke doel van het ego: zonde, schuld en angst.
Met de hulp van de Heilige Geest wordt het lichaam een voertuig om onze lessen
in vergeving te leren, binnen de context van onze relaties met onze broeders en
zusters, die we ook als lichamen zien. En we zullen onszelf en iedereen als
lichamen blijven zien, totdat het vergevingsproces is afgerond en we niet
langer enige schuld in onze denkgeest hebben waartegen we het lichaam nodig
hebben als verdediging. En wat betreft jezelf als
mooi zien: daar is niets mis mee, zolang je maar beseft dat als de Cursus
spreekt over hoe mooi we zijn (bijv. WdII.313.2:2),
hij niet over ons fysieke lichaam of onze persoonlijkheid spreekt. Hij refereert
aan de weerspiegelde schoonheid van de Christus in ons allemaal, een schoonheid
die we allen als geest gelijkelijk delen. |