|
V#15: Dood en verdriet Ik wil graag anders gaan denken over de dood. Onlangs hebben enkele
dierbaren ‘hun lichaam zachtjes terzijde gelegd’, maar ik voel me aangetrokken
tot het verdriet. Verdriet is geen liefde en bestaat dan ook niet, nietwaar?
Dan heb ik het dus zelf gemaakt? Kun je voor mij een algemeen antwoord
formuleren, gebaseerd op verschillende passages uit de Cursus, die de theorie
van de Cursus bevatten, zodat ik ze kan toepassen op het ervaren van verdriet in
de wereld van illusies? Wat als ik deze ervaring onderdruk en ontken? A: Er wordt in de Cursus nooit gevraagd om wat we ervaren te
onderdrukken of te ontkennen, of het nu verdriet is, boosheid, pijn of angst,
of welke op het ego gebaseerde reactie ook. Maar voor we onze gedachten over
onze gevoelens veranderen, moeten we eerst begrijpen welk doel ze dienen en
waarom wij ervoor hebben gekozen ze te ervaren. Het gevoel van verdriet
versterkt de bewering van het ego dat verlies en dood echt zijn, en dat het niet
alleen mogelijk is van liefde beroofd te zijn, maar dat we dat ook werkelijk
zijn. Onze ervaring schreeuwt uit dat Jezus ongelijk heeft: dat we gekwetst
zijn, verlaten en helemaal alleen. Er wordt ons niet gevraagd te ontkennen dat
dit onze ervaring is. Maar dat betekent nog niet dat het waar is. In een beeldende beschrijving van de wereld zegt Jezus: “De wereld die je ziet is het waansysteem
van hen die gek geworden zijn van schuld… al de wetten die haar schijnen te
regeren zijn de wetten van de dood. Kinderen worden met pijn en in pijn in deze
wereld geboren. Hun groei gaat gepaard met lijden, en ze leren wat leed is,
afscheiding en dood. Hun denkgeest lijkt opgesloten in hun hersenen, en de
krachten daarvan lijken af te nemen wanneer hun lichaam pijn lijdt. Ze lijken
lief te hebben, maar ze verlaten en worden zelf verlaten. Wat ze liefhebben,
schijnen ze te verliezen, wellicht de meest krankzinnige overtuiging van al. En
hun lichamen kwijnen weg, hun adem stopt en ze worden onder de grond gelegd, en
zijn niet meer. Niet een van hen die niet gedacht heeft dat God wreed is”
(T13.Inl.2:2,4-11). En dit is wat wij allemaal geloven. Zou het niet beter
zijn als wij ongelijk hebben? Jezus herinnert ons eraan dat zijn leven, dat in een schijnbare
dood eindigde, tot doel had “te
onderwijzen dat de communicatie ononderbroken blijft ook al is het lichaam
vernietigd, mits je het lichaam niet als het noodzakelijk middel tot
communicatie ziet” (T15.XI.7:2). Maar wij zien het lichaam nog altijd als
het noodzakelijke middel tot communicatie en geloven dat werkelijke
communicatie eindigt met de dood van het lichaam, omdat we onszelf nog steeds
willen zien als een lichaam. Het lichaam bevestigt ons onafhankelijke bestaan.
En hoewel zijn schijnbare ervaringen van verlies of pijn eenvoudigweg de weerspiegeling
zijn van een keuze in onze denkgeest, lijkt dat helemaal niet zo. Het ego wil
niet dat wij ons herinneren wat de bron van al ons verdriet is: het geloof dat
wijzelf de liefde in de steek lieten en onszelf uit de Hemel hebben verbannen.
Dankzij projectie – de verdediging van het ego - voelt het daarentegen alsof
dit dingen zijn die ons overkomen tegen onze wil, waarbij we niet
verantwoordelijk zijn voor hoe we ons voelen. We moeten dus eerst onze gevoelens
erkennen, maar vervolgens ook bereid zijn om in twijfel te trekken of onze
interpretatie van de wereld en de gebeurtenissen in ons leven wel correct is. Loskomen van pijn en verdriet is een geleidelijk proces, omdat we
bang zijn voor de grenzeloosheid van de liefde waarin ons individuele leven,
ons persoonlijk zelf met onze unieke karaktertrekken geen betekenis hebben. En
dus brengt Jezus ons zachtaardig zowel de uiteindelijke afloop, als het proces
in herinnering: “Verlies is geen verlies
wanneer het goed wordt bezien. Pijn is onmogelijk. Er is geen enkel verdriet
met enige oorzaak. En iedere vorm van lijden is niets dan een droom. Dit is de
waarheid, die eerst alleen dient
uitgesproken en dan veelvuldig herhaal, om vervolgens – onder veel voorbehoud –
maar gedeeltelijk als waar te worden aanvaard. Om daarna steeds serieuzer te
worden overwogen en uiteindelijk als de waarheid aangenomen”
(WdII.284.1:1-6, cursief toegevoegd). Het is niet de bedoeling om deze woorden te gebruiken als een
‘heilige mantra’ die aangeeft wat de waarheid is, en zo de interpretatie van
ons ego en alle bijbehorende gevoelens van verlies en pijn te smoren. Onderdeel
van het proces om ons denken te veranderen, is de noodzakelijke maar soms zeer
schokkende taak om te kijken naar wat we nog steeds willen geloven. En daarbij
moeten we zowel het doel daarvan onderkennen – afscheiding en schuld gaande
houden – als de prijs die we ervoor betalen – lijden en pijn. Door een groeiend
inzicht in wat we onszelf aandoen wanneer we het ego als leraar aannemen, raken
we meer gemotiveerd om hulp te vragen aan een andere Leraar. Met die hulp kunnen
we de verliezen in ons leven in een ander licht beginnen te zien. Zo realiseren
we ons dat we wel degelijk een keuze hebben in wat we ervaren, en dat we geen
slachtoffer zijn van omstandigheden buiten onze controle. |