|
V#14: De genezing van het
lichaam Kun je uitleg geven over de vele passages over genezing die naar de
genezing van het lichaam lijken te verwijzen? Hoewel de Cursus heel duidelijk
is over het proces om onze denkgeest te genezen van de verkeerde waarneming van
onze werkelijkheid, lijkt het me even duidelijk dat een gezond lichaam een
gevolg is van een genezen denkgeest. Hoe vertaal je dat naar je persoonlijke
leven als Cursusstudent? Zonder al deze passages zou ik met genoegen mijn lichaam
en lichamelijke toestand compleet negeren. Maar hoewel de Cursusleer niet tot
doel heeft het lichaam te genezen, vraag ik me toch af of we dit kunnen
verwachten wanneer we de stem van de Heilige Geest volgen. Waarom doet Jezus
zoveel moeite om hierover te spreken, als we er geen aandacht aan hoeven te
besteden? A: Je zegt terecht dat een
genezen lichaam niet het doel van Jezus’ onderricht is en evenmin ons doel moet
zijn bij het beoefenen van de Cursus. Jezus spreekt niet zozeer over het
lichaam omdat hij denkt dat het belangrijk
of werkelijk is, maar omdat wij
denken dat het belangrijk is, en niet hebben ingezien dat het ego het lichaam
gebruikt om ons weg te houden van onze denkgeest. De strategie van het ego is
er grotendeels op gericht ons te doen denken dat ons lichaam volledig
onderhevig is aan externe krachten – dat zowel ziekte als genezing van buiten
ons afkomstig zijn. Jezus corrigeert dit dan ook door ons de oorzaak-en-gevolgrelatie
te leren tussen de denkgeest en het lichaam. Met die bedoeling verwijst hij zo
dikwijls naar een genezen lichaam. Maar het aandachtspunt gaat wel degelijk naar
de kracht van onze denkgeest, niet naar het hebben van een genezen en geheeld
lichaam: “Het wonder is nutteloos als je
alleen maar leert dat het lichaam kan worden genezen, want dat is niet de les
ter onderwijzing waarvan het gezonden werd. De les is: de denkgeest was ziek die dacht dat het lichaam ziek kon zijn; het
naar buiten projecteren van zijn schuld veroorzaakte niets en had geen
gevolgen” (T28.II.22:6-7). Daar gaat het hem om. Maar hij leert ons over
het denksysteem van de Heilige Geest in de context van wat we het beste kennen
en waaraan we het beste kunnen relateren, en voor zo ongeveer iedereen is dat
de wereld van lichamen. Hij maakt dus gebruik van ons lichaam om ons
uiteindelijk te leren dat wij niet ons lichaam zijn. Maar dat is iets wat we
ons meestal pas bewust worden na een lang proces, dat vele, vele jaren kost om te
volbrengen. Door ons lichaam eenvoudig te negeren zouden we onszelf dan ook
talrijke kansen ontzeggen om de principes van de Cursus te leren en toe te
passen. Onze fysieke en psychologische behoeften en ervaringen vormen het
leerplan dat Jezus kan gebruiken om ons te leren hoe we de ervaringen van ons
lichaam kunnen interpreteren en waarnemen op een manier die ons helpt om de
afscheiding ongedaan te maken, in plaats van te versterken. Zolang we denken
dat we zonder zuurstof en voedsel zullen sterven, geloven we nog altijd dat we
een lichaam zijn. En het zou funest zijn voor onze spirituele vooruitgang als
we wat wij menen dat werkelijk is, negeren of er geen acht op slaan. In dit
verband gaf Jezus ons dan ook de volgende bedenking mee: “Het lichaam maakt eenvoudig deel uit van jouw ervaring in de fysieke
wereld. Zijn vermogens kunnen worden overschat en dat gebeurt ook vaak. Toch is
het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet,
begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning” (T2.IV.3:8-11). Zoals gezegd ligt de
nadruk altijd op het trainen van onze denkgeest en onze manier van denken, zodat
we op het laatst eenvoudigweg niet langer de keuze maken beperkt te zijn. Dat
is heel iets anders dan het lichaam gewoon negeren. Zoals hij zegt in de
paragraaf “Aan het lichaam voorbij” in
hoofdstuk 18: “Wat er in werkelijkheid gebeurt, is dat je de illusie van een
beperkt bewustzijn hebt opgegeven, en de angst voor eenheid bent kwijtgeraakt”
(T18.VI.11.7). Hij
leert ons hoe we op dit niveau kunnen komen. |