V#13: De betekenis van zuivering
Wat betekent de zin “eerst
is zuivering noodzakelijk”?
A: Aangezien dit zevende wonderprincipe: “Wonderen zijn ieders recht,
maar eerst is zuivering noodzakelijk” (T1.I.7:1) al op bladzijde 3 van het
Tekstboek voorkomt, zouden studenten van Een
cursus in wonderen kunnen denken dat Jezus over de zuivering van het
lichaam spreekt. Wat de studenten in het verleden hebben ervaren, brengt al hun
overtuigingen naar boven over de betekenis van het woord ‘zuivering’. Voor
sommigen betekent het misschien het zuiveren van de ‘ziel’ door zich te laten
dopen, of verzoening voor de zonde door boetedoening en offers. Anderen
associëren ‘zuivering’ met bevrijding van menselijke verlangens door middel van
meditatie en opgelegde disciplines. Wat we ook geloven, het vormt de basis van
waaruit we ons een begrip beginnen te vormen van het ‘zuiveringsproces’.
Maar wanneer we verder lezen in de tekst, blijkt tot onze verbazing
dat Jezus het helemaal niet over de zuivering van het lichaam heeft. Dat zou
ook onmogelijk zijn, want de Cursus leert ons dat het lichaam een illusie is. En
omdat het een illusie is, is er niets dat we eraan of ermee moeten doen. Het
lichaam hoeft niet gezuiverd te worden omdat het niet onzuiver is. “Het doet niets. Van zichzelf is het noch
vergankelijk, noch onvergankelijk. Het is niets.” (T19.IV.i.5:3-5). Het
zijn onze gedachten die onzuiver zijn. Dat betekent dat het onze gedachten zijn
die gezuiverd moeten worden, en niet ons lichaam. De methode die de Cursus
aanwendt om te ‘zuiveren’ is vergeving: het vergeven van die ene gedachte aan
schuld die ons afgescheiden houdt van de liefde van God. Het ‘zuiveringsproces’
van de Cursus wordt als volgt geďllustreerd:
“Geef Hem jouw gedachten, en
Hij zal ze teruggeven als wonderen die vol vreugde de heelheid en het geluk
verkondigen die God wil voor Zijn Zoon, als blijk van Zijn eeuwige Liefde. En
terwijl elke gedachte aldus wordt getransformeerd, neemt ze geneeskracht in
zich op van de Denkgeest die er de waarheid in heeft gezien, en niet is misleid
door wat valselijk eraan werd toegevoegd [schuld]. Elk spoortje fantasie is
verdwenen. En wat overblijft is samengevoegd tot een volmaakte Gedachte die
overal haar volmaaktheid schenkt.” (WdI.151.14)